MUZIEKTHERAPIE IN MARSILIO FICINO'S COMPENDIUM IN …

of 12/12
Gewina 29 (2006) 41-52 MUZIEKTHERAPIE IN MARSILIO FICINO'S COMPENDIUM IN TIMAEUM JACOMIEN PRINS* In de laatste hoofdstukken van zijn commentaar op Plato's Timaeus, het Compendium in Timaeum, gedrukt in 1484/ houdt Marsilio Ficino zich bezig met ziekte en gezond- heid, en de manier waarop muziek een gunstige invloed kan hebben op genezingspro- cessen. In één van de laatste hoofdstukken vertelt Ficino, die naast zijn vele andere beroepen ook arts was, bijvoorbeeld hoe hij zijn studie van Plato's Timaeus gebruikt om inzicht in de oorzaken van de ziekte van zijn moeder te krijgen. Ficino verzekert de lezer er allereerst van net als Plato te menen dat een ziekte pas te genezen is, als de oor- zaak ervan bekend is: Plato definieert vervolgens wat gezondheid en ziekte van het lichaam is. Hij onderscheidt ook soor- ten ziektes, zowel koortsen als andere [ziektes) en hij specificeert de oorzaken van elke daarvan.*^ Maar kennelijk is Plato's uitleg van de oorzaken voor lichamelijke en psychische ziektes in de Timaeus zelfs voor de welwillende lezer Ficino nogal beknopt en duister van aard, waardoor Ficino bij geneesheren uit de commentaartraditie en uit zijn eigen kring te rade is gegaan om, bijvoorbeeld in het geval van zijn moeder, een diagnose te stellen en met een passende therapie te komen: Ik was al voor een lange tijd van de zeer krachtige oorzaken overtuigd waarover ik in het werk van de Platonist Galenus gelezen had, en enige tijd geleden werd ik in mijn mening bevestigd door de beroemde geneesheer Georgius Cyprius.' Want deze trof mij, omdat hij deze dagen vaak bij ons aan huis kwam om mijn moeder te genezen, al lezend over deze onderwerpen aan, en hij bracht een wonderbaarlijke orde tussen de geest van Galenus en die van Plato [voor me] aan."* * Universiteit Utrecht, Onderzoeksinstituut voor Geschiedenis en Cuhuur, Muntstraat 2a, 3512 EV Utrecht, tel. 030-2536025, e-mail; [email protected] Dit artikel is in hoge mate geïnspireerd door Andrew Barkers baanbrekende artikel 'Timaeus on music and the liver', in: Reason and neceisity: essays on Plato's Timaeus, M.R. Wright ed. (London 2000) 85-99. Op deze plaats wil ik Karine van't Land-van Wesenbeeck en Catrien Santing graag bedanken voor het lezen van de conceptversie van dit artikel en voor al hun verbete- ringen en suggesties, en tevens |an Waszink voor zijn hulp bij het vertalen van de Latijnse citaten. 1 Marsilio Ficino, 'Compendium in Timaeum', in: Platonis opera omnia (Firenze 1484, herdruk Basel 1576). Ik gebruik hier en verder de editie van de uitgave uit 1496, door A. Etienne; Marsile Ficin et Ie Timée. Visages d'un interprète. De la découverte a la reception de la "physique" platonicienne. (Une étude historique et thématique du Compendium in Timaeum) (2 dln., Lausanne 1998). De paginering verwijst achtereenvol- gens naar de Baseier herdruk (bijv, [1463] ), de i496-editie van Edenne (bijv. <77*>), en naar de transcrip- tie van Etienne (bijv. (76)). 2 'Definit deinceps quid sanitas corporis sit, quid morbus. Distinguit quoque morborum, turn aliorum timi febrium species, singulorumque rationes assignat.' Ficino (n. 1), Compendium in Timaeum, cap. XXXXV, [1465|,<79'>, (85). " 3 De uitgevers van de Engelstalige editie van Ficino's De vita libri tres vermelden in hun inleiding dat het hier waarschijnlijk om de arts Georgio Medico gaat. Marsilio Ficino, Three books on life, kritische editie en vertaling door CV. Kaske and J.R. Clark (Binghamton, New York 1989) 19. 4 'Quales esse potissimum rationes, quas apud Galenum Platonicum legi, iamdiu existimavi, ac nuper a Georgio Cyprio insigni medico sum in sententia confirmatus. Hie enim his diebus cum ad me curandae matris meae gratia frequenter accederet, meque reperiret haec ipsa legentem miro quodam ordine Galeni menteni cum Platonica mente coniunxit.' Ficino (n. i). Compendium in Timaeum, cap. XXXXV, (1465I, <79''>. (85). 41
  • date post

    29-Apr-2022
  • Category

    Documents

  • view

    0
  • download

    0

Embed Size (px)

Transcript of MUZIEKTHERAPIE IN MARSILIO FICINO'S COMPENDIUM IN …

MUZIEKTHERAPIE IN MARSILIO FICINO'S COMPENDIUM IN TIMAEUM JACOMIEN PRINS*
In de laatste hoofdstukken van zijn commentaar op Plato's Timaeus, het Compendium in Timaeum, gedrukt in 1484/ houdt Marsilio Ficino zich bezig met ziekte en gezond­ heid, en de manier waarop muziek een gunstige invloed kan hebben op genezingspro­ cessen. In één van de laatste hoofdstukken vertelt Ficino, die naast zijn vele andere beroepen ook arts was, bijvoorbeeld hoe hij zijn studie van Plato's Timaeus gebruikt om inzicht in de oorzaken van de ziekte van zijn moeder te krijgen. Ficino verzekert de lezer er allereerst van net als Plato te menen dat een ziekte pas te genezen is, als de oor­ zaak ervan bekend is:
Plato definieert vervolgens wat gezondheid en ziekte van het l ichaam is. Hij onderscheid t ook soor­
ten ziektes, zowel koor tsen als andere [ziektes) en hij specificeert de oorzaken van elke daarvan.*^
Maar kennelijk is Plato's uitleg van de oorzaken voor lichamelijke en psychische ziektes in de Timaeus zelfs voor de welwillende lezer Ficino nogal beknopt en duister van aard, waardoor Ficino bij geneesheren uit de commentaartraditie en uit zijn eigen kring te rade is gegaan om, bijvoorbeeld in het geval van zijn moeder, een diagnose te stellen en met een passende therapie te komen:
Ik was al voor een lange tijd van de zeer kracht ige oorzaken over tuigd waarover ik in het werk van
de Platonist Galenus gelezen had , en enige tijd geleden werd ik in mijn m e n i n g bevestigd d o o r de
be roemde geneesheer Georgius Cypr ius . ' Want deze t rof mij , o m d a t hij deze dagen vaak bij ons aan
huis k w a m o m mijn m o e d e r te genezen , al lezend over deze o n d e r w e r p e n aan , en hij b r a c h t een
wonderbaar l i jke o rde tussen de geest van Galenus en die van Plato [voor me] aan."*
* Universiteit Utrecht, Onderzoeksinstituut voor Geschiedenis en Cuhuur, Muntstraat 2a, 3512 EV Utrecht, tel. 030-2536025, e-mail; [email protected] Dit artikel is in hoge mate geïnspireerd door Andrew Barkers baanbrekende artikel 'Timaeus on music and the liver', in: Reason and neceisity: essays on Plato's Timaeus, M.R. Wright ed. (London 2000) 85-99. Op deze plaats wil ik Karine van't Land-van Wesenbeeck en Catrien Santing graag bedanken voor het lezen van de conceptversie van dit artikel en voor al hun verbete­ ringen en suggesties, en tevens |an Waszink voor zijn hulp bij het vertalen van de Latijnse citaten.
1 Marsilio Ficino, 'Compendium in Timaeum', in: Platonis opera omnia (Firenze 1484, herdruk Basel 1576). Ik gebruik hier en verder de editie van de uitgave uit 1496, door A. Etienne; Marsile Ficin et Ie Timée. Visages d'un interprète. De la découverte a la reception de la "physique" platonicienne. (Une étude historique et thématique du Compendium in Timaeum) (2 dln., Lausanne 1998). De paginering verwijst achtereenvol­ gens naar de Baseier herdruk (bijv, [1463] ), de i496-editie van Edenne (bijv. <77*>), en naar de transcrip­ tie van Etienne (bijv. (76)).
2 'Definit deinceps quid sanitas corporis sit, quid morbus. Distinguit quoque morborum, turn aliorum timi febrium species, singulorumque rationes assignat.' Ficino (n. 1), Compendium in Timaeum, cap. XXXXV, [1465|,<79'>, (85). "
3 De uitgevers van de Engelstalige editie van Ficino's De vita libri tres vermelden in hun inleiding dat het hier waarschijnlijk om de arts Georgio Medico gaat. Marsilio Ficino, Three books on life, kritische editie en vertaling door CV. Kaske and J.R. Clark (Binghamton, New York 1989) 19.
4 'Quales esse potissimum rationes, quas apud Galenum Platonicum legi, iamdiu existimavi, ac nuper a Georgio Cyprio insigni medico sum in sententia confirmatus. Hie enim his diebus cum ad me curandae matris meae gratia frequenter accederet, meque reperiret haec ipsa legentem miro quodam ordine Galeni menteni cum Platonica mente coniunxit. ' Ficino (n. i ) . Compendium in Timaeum, cap. XXXXV, (1465I, <79''>. (85).
41 Jacomien Prins
Ficino geeft in dit citaat aan dat het werk van Galenus voor, onder andere, zijn medi­ sche kennis een minstens even belangrijke bron is geweest als Plato's Timaeus.^ Hij haast zich echter om er meteen bij te vermelden dat hij hiermee niet ontrouw aan Plato is, omdat het werk van Galenus op de leer van Plato geïnspireerd is en er grote overeen­ komsten mee vertoont. Ficino ondersteunt deze bewering met een beroep op de auto­ riteit van een collega; door te stellen dat de overeenkomst tussen Plato en Galenus niet alleen hem, maar ook de beroemde geneesheer Georgius Cyprius is opgevallen, onder­ streept hij dat hij in zijn medische opvattingen nergens van Plato afwijkt.
In dit artikel wil ik Ficino's muziektherapie presenteren aan de hand van een recon­ structie van de behandeling met muziek die hij op zijn zieke moeder toepast. Hoewel de aard van de aandoening en de behandeling van Ficino's moeder nergens expliciet in het Compendium in Timaeum aan de orde komen, heeft zij naar verwachting, overigens net als haar zoon, volgens de diagnose van die tijd aan melancholie geleden.* Op de houtsnede uit het Liber de arte distulandi simplicia et composita ('Het boek over de kunst van het distilleren van enkelvoudige en samengestelde substanties'), een bewer­ king van Ficino's De vita libri tres ('Drie boeken over het leven')' van Hieronymus Brunschwig, is te zien hoe hij bij wijze van remedie voor haar op zijn lier gespeeld heeft (zie afbeelding).** Dit artikel bespreekt de visie van Ficino op Plato's theorie over de effecten van muziek op de mens en concentreert zich daarbij op de analyse die daarvan in het Timöeui-commentaar wordt gegeven. Het richt zich in het bijzonder op wat er precies in het menselijk lichaam gebeurt wanneer de ziel door muziek in beroering wordt gebracht, en op de manier waarop deze bewegingen op de ziel overgebracht worden. Daarnaast zal bestudeerd worden hoe door middel van contact met de juiste muzikale bewegingen de mens in staat gesteld wordt om de omwentelingen van zijn ziel weer volledig in balans te brengen, waardoor zelfs melancholici gezondheid en geluk kunnen verwerven.
In het voetspoor van Plato In Marsilio's commentaar op de Timaeus is nergens een volledige en gedetailleerde uit­ werking van zijn muziektherapie te vinden. Hier en daar duiken beschouwingen over klank, muziek, de functie van het gehoor en de wonderbaarlijke en heilzame werking van muziek op. Net als in Plato's dialoog is het echter ook in Ficino's commentaar op dit werk de taak van de lezer om uit een verzameling losse fragmenten een samenhangend beeld van zijn muziekfilosofie te vormen. Ficino behandelt deze onderwerpen in zijn Tirtiöeus-commentaar op dezelfde manier waarop ze door Plato in de Timaeus aan de orde gesteld zijn. Ze vormen onderdeel van beschouwingen over waarneembare objecten,
5 Ficino schrijft in hoofdstuk 46 van zijn Timiici/s-commentaar dat hij zich gebaseerd heeft op Galenus' De placitis Hippocratis et Platonis. Een uitgave en Engelse vertaling van dit werk zijn te vinden in: On the doc­ trines of Hippocrates and Plato, edition, translation and commentary by Ph. De Lacy (3 din., Berlin 1980) (Corpus medicorum Graecorum, V, 4,1-2). Voor een algemene inleiding op het werk van Galenus zie: R.E. Siegel, Galen's system of physiology and medicine (Basel 196S).
6 Voor een algemene inleiding over de geschiedenis van de relatie tussen muziek en geneeskunst zie W.F. Kümmel, Musik und Medizin: Ihre Wechselbeziehungen in Theorie und Praxis von 800 bis 1800 (Freiburg en München 1977).
7 Marsilio Ficino (n. 3), Three books on life. 8 Hieronymus Brunschwig, Liber de arte distulandi simplicia et composita (Strassburg 1508) fol. z IIII r.
Volgens Kümmel (n, 6), Musik und Medizin, 289, is de linkerfiguur op deze afbeelding een vermoeide alchimist. Voor de hier gepresenteerde reconstructie maakt zijn interpretatie van deze houtsnede in prin­ cipe weinig verschil met de mijne.
42
Hieronymus Brunschwig, Liber de arte distulandi simplicia et composita (Strassburg 1508), fol. z IIII r.
de manier waarop deze waargenomen worden, de doelen die deze waarnemingen die­ nen, de structuur van de menselijke ziel en het menselijk lichaam, en de plaats van ziekte en gezondheid in het menselijk leven. Net als Plato besteedt Ficino niet evenveel aandacht aan de diverse aspecten van zijn muziekfilosofie. Wanneer hij bijvoorbeeld de begrippen 'klank' en 'horen' definieert, is het hem voornamelijk om het plaatsen van deze begrippen binnen de context van algemene beschouwingen over de kosmos en de mens te doen.
De reden waarom Ficino bepaalde definities binnen de context van algemene be­ schouwingen over de kosmos en de mens geeft, is dat ook Plato deze verschijnselen op die manier behandeld heeft. Ficino is er heilig van overtuigd dat aan Plato een aantal geheimen over de harmonische aard van de kosmos en de mens geopenbaard werden. Om de eeuwige waarheden die in de Timaeus opgetekend zijn in ongeschonden vorm over te leveren, probeert Ficino in zijn commentaar op Plato's dialoog zo dicht moge­ lijk bij de woorden van zijn leermeester te blijven. Alleen op die manier zou in vergetel­ heid geraakte kennis over de harmonische principes van de kosmos in zijn eigen tijd aangewend kunnen worden voor de genezing van ziektes, voor de spirituele groei van de individuele mens, maar ook voor de redding van de mensheid in algemene zin.
Ficino doet in zijn filosofie daarnaast zijn uiterste best om het werk van Plato met de bijbel te verzoenen. Tot ver in de vijftiende eeuw werden in de christelijke traditie van de harmonie der sferen God en zijn schepping meestal op een statische manier beschreven, en had de mens weinig mogelijkheden om zich op actieve wijze met hemelse harmonie bezig te houden. Door de vernieuwende Neoplatoonse manier waarop Ficino Genesis 1:26 uitlegt, waarin staat dat de mens naar Gods beeld en gelijkenis geschapen is, krijgt de mens in zijn filosofie de mogelijkheid om actief als medeschepper van zichzelf op te
43
44 Jacomien Prins
treden.9 Dit biedt vele nieuwe mogelijkheden voor genezing en spirituele groei door middel van muziek.
In de Timaeus (47c-e) is de reden te vinden voor de grote betekenis die Plato in zijn filosofie toekent aan muziek en het waarnemen daarvan.'" Timaeus legt in deze passage allereerst uit dat het gezichtsvermogen ons gegeven is
opdat wij, door een grondige studie [van die omwentelingen in de hemel] en door het deel hebben
aan de natuurlijke juistheid van de berekeningen, de volkomen dwalingloze bewegingen van de God
nabootsen, en opdat we de omwentelingen binnen ons, die van hun baan zijn afgedwaald, een hou­
vast bezorgen.
Hij vervolgt met de opmerking dat 'datzelfde ook [dient] te worden herhaald voor de stem en het gehoor: ze werden ons door de goden geschonken met dezelfde bedoeling en uit dezelfde gronden.' Binnen het auditieve domein neemt muziek een belangrijke plaats in
die ons geschonken werd, opdat we ernaar luisteren om de harmonie te vatten. En wat de harmonie
betreft met haar bewegingen die verwant zijn aan de zielsomwentelingen in ons: wie op verstandige
manier met de Muzen omgaat, heeft niet de indruk dat ze [alleen maar] dient voor een redeloos
genot, zoals de algemene opinie het heden ten dagen wil. Neen, ze werd ons door de Muzen
geschonken als een bondgenote om de omloop der ziel, wanneer hij in disharmonie is geraakt, te
ordenen en in eenklank te brengen met zichzelf. (47d)
Ongeveer achttien eeuwen nadat Plato deze theorie in zijn dialoog vormgaf, is Ficino het op dit punt nog helemaal eens met zijn voorganger. Hij geeft Plato's idee dat de mens de bewegingen van de planeten moet bestuderen en imiteren om de perfecte har­ monie in zichzelf terug te vinden als volgt weer:
[Plato] bevestigt wederom dat de mens is geboren om de hemelse verschijnselen te overdenken, en ja
zelfs om voor zover zijn vermogens dat toelaten de hemelse Beweger zelf te imiteren. En wat Plato
zegt over het zien, zegt hij ook over het horen; dat ze ons gegeven zijn omwille van contemplatie en
lering; en tevens om ons in staat te stellen om aan de hand van de waarneembare harmonie ook de
bewegingen van onze geest in een harmonische ordening te brengen."
Dit citaat uit Ficino's Timaeus-commentaar kan geplaatst worden tegen de achtergrond van de uiteenzetting over de wereldziel in Plato's Timaeus (34b-36d), waar de wiskundi­ ge verhoudingen tussen de delen van de kosmische ziel, het vormgevende principe van de kosmos, gedefinieerd worden als identiek aan die van een bepaalde toonladder of muzikale stemming. In principe is de structuur van de menselijke ziel via hetzelfde principe ontworpen (42d-e), maar onder invloed van incarnatie in een stoffelijk lichaam en externe waarnemingen is ze uit balans en ontstemd geraakt (43c-44a). De
9 M. Ficino (n. i), Compendium in Timaeum, Cap. XXXXV, [1465], <79' >, (84). 10 Plato, Verzameld werk,\', Timaeus, vertaald door X. de Win (Antwerpen en Baarn 1978) 232. n 'Turn confirmat iterum hominem esse natum ad caelestia contemplanda, immo vero ad ipsum caeii
motorem pro viribus imitandum. Et quemadmodum dixerat visum, sic et auditum contemplationis et disciplinae gratia nobis esse tributum; item ut per sensibilem harmoniam, animi quoque motus harmoni- ce coniponamus.' Ficino (n. 1), Compendium in Timaeum, cup. XXXXll, 11463']-<77*'>, (78).
44
Muziektherapie in Marsilio Ficino's Compendium in Timaeum 45
harmonische bewegingen van de wereldziel en haar kosmisch lichaam kunnen, volgens Plato, niet met het oor waargenomen worden, maar zijn wel zichtbaar gemaakt in de omwentelingen van de sterren en de planeten. De rationele harmonische orde van de hemellichamen kan op indirecte wijze door de mens gehoord worden, namelijk wan­ neer hij zelf muziek maakt of ernaar luistert. De principes die ten grondslag liggen aan de getalsmatige structuur van de wereldziel en zijn eigen ziel zijn immers identiek aan degene die de basis vormen voor de structuur van het muzikale stemmingssysteem. Het verstandelijk kenbare harmonische patroon dat in Plato's Timaeus aan de structuur van de wereldziel, de menselijke ziel en muziek ten grondslag ligt, vormt de basis voor Ficino's muziektherapie.'^
Klank en gehoor
De definities van de begrippen 'klank' en 'gehoor', die te vinden zijn in de Timaeus (ó/a-c), spelen een essentiële rol in Ficino's muziektherapie. Plato geeft als definitie van klank 'de luchtstoot die, door de oren heen, hersens en bloed bereikt en die wordt doorgegeven tot aan de ziel.' En hij vervolgt met een definitie van het gehoor: 'En de door die stoot voortgebrachte beweging, uitgaande van het hoofd en eindigend bij de leverstreek, is het "gehoor".''^ Ficino neemt de definities van Plato weliswaar over, maar vult de summiere informatie in Plato's Timaeus met denkbeelden uit de commentaar­ traditie op dit werk en met eigen inzichten aan. Als bron van geluid moet er, ook vol­ gens Ficino, een beweging in of van de lucht plaatsvinden die veroorzaakt wordt door het tegen elkaar aanslaan van twee objecten. Hij stelt dat het effect van deze slag in de lucht te vergelijken is met het effect van het gooien van een steen in het water:
De natuurwetenschappers hebben ons overgeleverd dat klank het oor in cirkelvormen bereikt, nadat
hij [de klank] stapsgewijs over vele cirkels vermeerderd is, niet anders dan cirkels die na het gooien
van een steen vanuit de hoogte in het water zichzelf vermenigvuldigen totdat zij de oever bereiken.
Wij zijn echter van mening dat concentus [harmonie], die een samensmelting is van lage en hoge
klanken, als een vorm die weliswaar cirkelvormig is, toch als ovaal het oor bereikt.'••
Net als de cirkels in het water korte tijd na het gooien van een steen de oever bereiken, bereiken de cirkelvormige geluidsgolven even na het ontstaan van een klank het mense­ lijk oor. De metafoor van de steen in de vijver ontleent Ficino aan het werk van een aantal geleerden uit de Aristotelische school, die hij in zijn jeugd bestudeerd heeft. De metafoor is de commentaartraditie binnengeslopen als voorbeeld bij Timaeus 8oa-b, waar klank op abstracte wijze als een vorm van circulaire verplaatsing behandeld wordt." Getuige dit citaat achtte hij noch de verklaring in de Timaeus, noch die in de
12 In dit artikel zal ga ik niet in op de receptie van deze getalsmatige structuren uit Plato's Timaeus in het commentaar van Ficino op dit werk. Voor literatuur over dit onderwerp zie M.l.B. Allen, Nuptial arithmetic: Marsilio Ficino's commentary on the fatal number in book VIII of Plato's 'Republic' (Berkeley, Los Angeles en Londen 1994).
13 Plato, Timaeus (n. 10), 262. 14 'Tradunt physici sonum in orbicularem figuram niultis gradatim amplificatam circulis ad aures pervenire,
non aliter quam qui in stagno ex iactu lapidis ab alto circuli multiplicantur ad litus. Concentum vero ex gravibus acutisque conflatum, velut unam formam et banc rotundam quidem, sed ovalem illabi auribus arbitramur.' Ficino (n. 1), Compendiimi in Timaeum, cap. XXXI, [1456], <7i'>, (51, 52).
15 M. Ficino, De sono, in: P.P. Kristeller, 'The Scholastic Background of Marsilio Ficino, with Edition of Unpublished Text', Traditio: Studies in Ancient and Medieval History Thought and Religion (1944) 299-315.
45
46 Jacomien Prins
commentaartraditie volkomen juist. Met de opmerking dat de circulaire geluidsvormen zich bij het horen in ovale geluidsvormen omzetten, geeft Ficino aan dat horen bovenal een zeer ingewikkeld proces is. Daarbij vinden een aantal transformaties plaats, die een essentiële functie hebben binnen de context van de muziektherapie. Ficino gaat er van­ uit dat bij het horen van klank deze niet meteen via het oor het hoofd, de zetel van de rationele ziel, bereikt. De klank legt eerst een weg af door het lichaam, waarbij hij de regio van het hart en vervolgens de regio van de lever, het domein van de lagere ziel, passeert. Ergens tijdens dit gecompliceerde proces van het horen veranderen de cirkel­ vormige geluidsgolven zich in ovaalvormige golven.
Voor de definitie van het begrip concentus of harmonie in bovenstaand citaat grijpt Ficino terug op Timaeus 8oa-b. In Plato's dialoog wordt op deze plaats uitgelegd dat snelle en langzame tonen, die veroorzaakt zijn door snelle en langzame bewegingen, dissonant zijn als hun bewegingen niet met elkaar corresponderen, en consonant zijn als hun bewegingen dat wel doen. De correspondentie van de beweging van een hoge met een lage toon zou betekenen dat de beweging van de snelle, hoge toon langzamer wordt wanneer hij bij zijn eindpunt aankomt. Daardoor wordt deze identiek aan de beweging van de langzame, lage toon, die vanwege zijn geringere snelheid dit doel later bereikt. De plaats waarop de bewegingen van de lage toon gelijk worden aan de be­ wegingen van de hoge toon bevindt zich, volgens Plato, ergens in het menselijk lichaam. In muziekwetenschappelijke termen staat concentus voor speciale proportio­ nele verhoudingen die voorkomen bij het interval van het octaaf, de kwint en de kwart. In termen van de mathematische harmonieleer worden de relaties van deze intervallen uitgedrukt in proportionele termen: het octaaf wordt uitgedrukt als de ratio 2:1, de kwint als de ratio 3:2 en de kwart als de ratio 4:3.
Om tot een verklaring van de heilzame werking van muziek in Ficino's Timaeus-com- mentaar te komen, wordt in dit artikel aangenomen dat hij met het begrip concentus die intervallen aanduidt, die in zijn tijd als consonant en harmonieus werden opgevat.'* Wanneer de twee tonen van een dergelijk interval na elkaar of tegelijkertijd gehoord worden, dan smelten ze in de hoorervaring samen tot een enkelvoudige klank. Twee dissonante tonen kunnen bij het horen niet samensmelten tot een harmonieuze samen­ klank, omdat hun bewegingen niet af te stemmen zijn. Het waarnemen van consonan­ ten wordt in Ficino's muziekfilosofie als heilzaam voor de mens beschouwd, niet alleen op grond van hun weldadige uitwerking, maar ook dat ze een zuivere uitdrukkingsvorm zijn van de harmonische wetten die aan Gods schepping ten grondslag liggen.
In Plato's Timaeus passeren de cirkelvormige geluidsgolven via het oor de hersens, waarbij ze in contact komen met de rationele ziel. Het is de beweging van de rationele ziel, niet die van de lucht op het trommelvlies, die doorgegeven wordt aan de lever en aangeduid wordt met het begrip 'horen'.'" In Ficino's commentaar op deze dialoog ver­ plaatst klank zich daarentegen door middel van zowel de beweging van de rationele ziel als van de lucht door verschillende regio's van het menselijk lichaam en de menselijke ziel:
16 Zie voor de verschillen in opvatting over geaccepteerde consonanten tussen Plato en Ficino: J. Haar, Musica mundana: variations on a Pythagorean theme (unpublished dissertation. University of Harvard, i960) 343-361; E. Schadel, 'Zur Musik-Konzeption des Marsilio Ficino', in: J. Matula ed., Florentine Platonism and central Europe: Florentinischer Platonismus und Mitteleuropa (Olomouc 2001) 107-178, i.h.b. 122-152.
17 Barker (n. *), 'Timaeus on music', 87.
46
Muziektherapie in Marsilio Ficino's Compendium in Timaeum 47
Hiermee zou overeenstemmen dat muzikale consonantie zich voordoet in het element dat zich tussen
alles in bevindt [dwz. in het element lucht] en dat [het] het oor bereikt door middel van beweging,
en meer precies een circulaire beweging, zodat het niet verwonderlijk is dat deze [muzikale conso­
nantie] overeenkomt met de ziel, die zowel het midden is van de dingen, als de oorsprong van een
zichzelf herhalende circulaire beweging. Hier komt nog bij dat juist concentus [harmonie], meer dan
ieder ander object dat waargenomen wordt met de zintuigen, de emoties en gedachten van de ziel
van de zanger of speler overbrengt op de ziel van de luisteraar; daarom correspondeert het [de har­
monieuze klank] op voortreffelijke wijze met de ziel.'*
Spiritus
Ficino hanteert in zijn muziekfilosofie het begrip spiritus op een unieke manier. Horen brengt ons volgens Ficino in direct contact met de wereld om ons heen, omdat klank bestaat uit bewegingen van de lucht die overgedragen worden op onze spiritus. Spiritus verbindt lichaam en ziel met elkaar,'* en zo kan klank de hele mens beroeren. Bij het zien, ruiken, proeven en tasten is er daarentegen sprake van een meer oppervlakkige weergave van objecten in de buitenwereld. Visuele beelden hebben bijvoorbeeld een statisch karakter, zodat het zien verder van de aard van de menselijke ziel afstaat. De wonderbaarlijke uitwerking van muziek op de mens is dus gebaseerd op het dynami­ sche karakter van muzikale klanken die overeenkomen met zielsbewegingen. Omdat de menselijke zowel als de muzikale spiritus kunnen bemiddelen tussen spirituele en mate­ riële zaken, kan muziek bij uitstek gebruikt worden om via harmonieuze samenklanken lichaam en ziel weer in balans te brengen. Ficino schrijft over de wonderbaarlijke uit­ werking van een harmonieuze samenklank:
Concentus [harmonie] daarentegen beweegt het lichaam door zijn lucht-achtige natuur die in bewe­
ging is gezet: door middel van gezuiverde lucht wekt zij de lucht-achtige spiritus die de verbinding
vormt van ziel en lichaam, door middel van emotie beroert zij de zintuigen [van de luisteraar] en op
hetzelfde ogenblik de ziel: door middel van betekenis werkt zij op de geest: tenslotte, door middel
van de beweging zelf van de subtiele lucht dringt zij heftig door: door middel van gelijkgestemdheid
raakt zij [ons] zoetjes: door middel van een gelijke hoedanigheid overstroomt zij [ons] met heerlijk
plezier: door middel van zijn zowel spirituele als materiële natuur, neemt zij de mens tegelijkertijd
geheel in bezit, en eist hem voor zichzelf op.-°
Recapitulerend is horen volgens Ficino een circulair proces, dat bestaat uit een cirkelvor­ mige beweging die loopt van een klankexplosie naar het oor, en van daaruit via het hoofd naar de lever, en deze beweging gaat gepaard met een beweging in omgekeerde richting
18 'Responderetur ad haec musicam consonantiam in elemento fieri omnium medio; perque motum, et hunc quidem orbicularem ad aures provenire, ut non mirum sit eani aniniae convenire tum mediae rerum, tum motionis principio in circuitu revolubili. Adde quod concentus potissimum inter ilia quae sentiuntur quasi animatus affectum sensuumque cogitationem animae sive canentis sive sonantis perfert in animos audientes. Ideoque in primis cum animo congruit.' Ficino (n. 1), Compendium in Timaeum, cap. XXVIIII, [1453], <69'>, (43).
19 Zie voor een prachtig artikel over Ficino's spirrfus-theorie: D.P. Walker, 'Ficino's spiritus and Music', in: D.P. Walker, Music, spirit and language iu the Renaissance, P. Gouk ed. (Londen 1985) 131-150.
20 'Concentus autem per aeream naturam in motu positam movet corpus; per purificatum aereni, concitat spiritum aereum animae corporisque nodum; per affectum, afficit sensum simul et animum; per signifi- cationem, agit in mentem. Denique per ipsum subtilis aeris motum, penetrat vehementer; per contemper- ationem, lambit suaviter; per conformem qualitatem, mira quadam voluptate perfundit; per naturam tam spiritalem quam materialem, totuni simul rapit et sibi vendicat hominem.' Ficino (n. 1), Compendium in Timaeum, cap. XXVIIII, [1453], <69'>, (44).
47
48 Jacomien Prins
Als een mens iets hoort, en in het bijzonder wanneer hij muziek hoort, wordt een cirkel­ vormige beweging via de spiritus van het hoofd naar de lever en van de lever naar het hoofd gestuurd, waarbij de cirkelvorm zich in een ovale vorm omzet. Het hele morele en emotionele leven van een mens bestaat volgens Ficino uit beweging van het lichaam en beweging van de spiritus en de ziel. Muziek kan die bewegingen imiteren en doorgeven aan de menselijke ziel. De muzikale bewegingen hebben volgens Ficino met name een heilzame werking op de mens wanneer ze de goddelijke harmonie van de kosmos imiteren. Om een beter beeld van Ficino's muziektherapie te krijgen, wordt op deze plaats daarom de vraag gesteld hoe het imiteren van goddelijke harmonie precies in zijn werk gaat.
Ficino benadrukt het belang van het imiteren van goddelijke harmonie door middel van menselijke muziek, en perfecte consonanten spelen daarom in zijn muziekfilosofie een belangrijke rol. Net als zijn voorgangers in de Pythagoreïsche traditie is Ficino van mening dat aan het octaaf (2:1), de kwint (3:2) en de kwart (4:3) op basis van hun getalsmatige verhoudingen een bijzondere positie binnen de muziektheorie moet worden toegekend. En op basis van het beluisteren van meerstemmige muziek uit zijn eigen tijd voegde hij de terts (5:4) en de sext (5:3) aan deze groep toe. Maar uit be­ trouwbare bron weten we dat Ficino bij het musiceren niet slechts een kleine groep welgevormde consonanten gebruikte.-' Op basis hiervan mag aangenomen worden dat hij blijkbaar van mening was dat muziek in veel bredere zin grote invloed op de mens kan hebben, en dat hij voor de genezing van zijn zieke moeder niet uitsluitend perfecte conso­ nanten heeft gebruikt.
Muzikale ervaringen van meer algemene aard dan het horen van perfecte consonanten hangen echter wel samen met het waarnemen van de mathematisch perfect geordende bewegingen die bij deze consonanten horen. Een eenduidig antwoord op de vraag welke muzikale ervaring de mens op het spoor van de goddelijke harmonie kan brengen, om zo de bewegingen van zijn ziel weer in balans te krijgen, is in Ficino's filosofie niet te vinden. Wel is te achterhalen, hoe hij de melancholie van zijn moeder met muziek dacht te behandelen. Een passage uit de Timaeus die op het eerste gezicht niets met muziek of horen te maken heeft is hierbij van groot belang: namelijk Timaeus 7od-72b, waarin de functie van de lever beschreven wordt. Deze passage speelt een essentiële rol in de muziekfilosofie van Ficino.
Ademhaling De irrationele ziel bestaat uit twee delen, die zich volgens Plato en Ficino in het gebied van het hart en van de lever bevinden. Het hoogste deel van de irrationele ziel zetelt in de hartstreek en staat rechtstreeks in verband met het hart en de ademhaling. Het laagste gedeelte van deze ziel huist zowel in Plato's Timaeus als in Ficino's commentaar op deze dialoog in de onderbuik, waar het een functie heeft in onder andere de spijsvertering. Door middel van een gemeenschappelijk zintuig dat toebehoort aan de rationele ziel, die in het hoofd zetelt, staan de verschillende delen van de ziel met elkaar in verbin­ d ing ." Het irrationele deel van de ziel is vanwege haar oncontroleerbare en lichtont- vlambare aard zo ver mogelijk van het hoofd geplaatst waar het denken plaatsvindt:
21 Zie voor ooggetuigenverslagen van Ficino's musiceerkunst: A. Voss, 'Orpheus redivivus. The musical magie of Marsilio Ficino', in: M.J.B. Allen en V. Rees met M. Davies ed., Marsilio Ficino: his theology, his philosop­ hy, his legacy (Leiden 2002) 227-241, i.h.b. 228.
22 Ficino specificeert in deze passage de aard van dit zintuig niet. Ficino (n. 1), Compendium in Timaeum, Cap. XXXXV, [1464I, <79''>- (84)-
Muziektherapie in Marsilio Ficino's Compendium in Timaeum
[Zij tonen] echter Jaan] dat de irrationele ziel op één of andere manier in het lichaam zetelt [i.t.t. de
rationele ziel die niet is vermengd met iets stoffelijks], en dat het deel hiervan dat de dapperheid en
de ontvlambaarheid beheerst is toevertrouwd aan het hart, terwijl het deel dat is gewijd aan lust is
toevertrouwd aan de lever.-'
De lagere ziel kan niet rationeel denken, maar wordt uitsluitend beïnvloed door beelden, die op het glanzende oppervlak van de lever gespiegeld kunnen worden. Dit spiegelen is een actief proces. Er vindt niet alleen projectie en reflectie plaats, maar het beeld maakt ook een afdruk in de lever, net als een zegel dat in was doet. Nadat het beeld zo getrans­ formeerd is, wordt het via het bloed aan de ziel afgegeven.-'' De beweging van het horen in het lichaam vindt plaats door middel van de spiritus. De spiritus transporteert muzikale bewegende beelden door het lichaam, die een indruk maken op de lever, en vervolgens in getransformeerde vorm door de spiritus via het hart weer naar het hoofd gezonden worden.
De passage waarin Ficino in zijn Timaeus-commentaar de werking van de ademhaling beschrijft, geeft inzicht in de manier waarop muziek zich in eerste instantie aandient bij het gedeelte van de ziel dat verantwoordelijk is voor waarneming en emotie, en vervol­ gens bij het rationele gedeelte van de ziel. Het horen, net als het denken, vindt plaats in een beweging tussen het hoofd en de lever, waarbij de spiritus van de muziek de muzi­ kale bewegingen door het lichaam transporteert. In Ficino's muziekfilosofie bestaat muziek uit warme lucht, een substantie die nauw verbonden is met de ademhaling. Muziek is niet alleen de drager van beweging en emotie, maar ook van kennis en inzicht. Muzikaal bewogen lucht is levend en is verwant aan de onstoffelijke menselijke spiritus, waardoor het een wonderbaarlijke uitwerking kan hebben op de luisteraar.^' Ficino betreurt het dat er juist met betrekking tot het ademhalingsproces in de com­ mentaartraditie op Plato's Timaeus onjuiste inzichten zijn geslopen. Ficino probeert déze fouten recht te zetten, door te wijzen op de functie van de spiritus bij het ademen:
En deze Jaderen] nu nemen, wanneer ze uitgezet zijn, buitenlucht op in het hele lichaam zowel om
de hete spirifus-uitwasemingen af te koelen als om levens-spiritus te verwekken. Samengedrukt echter
reinigen zij [de aderen] de verzadigde uitwasemingen van de spiritus die opgenomen zijn. Een der­
gelijke beweging karakteriseert hij [Galenus] als de ademhaling in eigenlijke zin.^*
De ademhaling is dus van wezenlijk belang in Ficino's muziektherapie. Tijdens het ademhalingsproces kunnen ziekteverwekkende uitwasemingen het lichaam verlaten, en heilzame bewegingen en substanties opgenomen worden. De spiritus van intelligente mensen als Ficino verdient speciale zorg, omdat zij hem bij het constant nadenken snel opbruiken. Wanneer de spiritus niet tijdig, bijvoorbeeld door het beluisteren van
23 'Irrationalem vero in membris quodammodo residere, et partem quidem eius audaciae et iracundiae compotem cordi, partem vero concupiscentiae deditam, iecori commendatam.' Ficino (n. 1), Compendium in Timaeum, cap. XXXXV, [1464,1465], <79''>, (84).
24 Zie voor spiegelmetaforen in het werk van Ficino: S. Kodera, 'Narcissus, divine gazes and bloody mirrors: the concept of matter in Ficino', in: Allen e.a. ed (n. 21), Marsilio Ficino, 285-306.
25 Walker (n. 19), 'Ficino's spiritus', 138. Een gedetailleerde uitwerking van Ficino's ideeën over muziekthera­ pie en astrologie is ook te vinden in het derde deel van zijn De vita libri tres: 'De vita coelitus comparan- da' [Over het verkrijgen van leven uit de hemelen, in: Marsilio Ficino (n. 3), Three Books on Life, 242-393.
26 'Quae quidem dilatatae externum aerem per totum corpus accipiunt et ad spiritus ferventes refrigeran- dos, et ad animalem spiritum generandum. Compressae vero caliginosos vapores spiritus insertos expur- gant.' Ficino (n. 1), Compendium in Timaeum, cap. XXXXVI, [1484], <79'>, (85, 86).
49
50 Jacomien Prins
muziek, aangevuld wordt, kan het bloed uitdrogen en zwarter worden met als gevolg melancholische klachten. Door middel van het element lucht en het proces van de ademhaling kan het bloed weer in een goede conditie gebracht worden. Ficino bepleit, in navolging van Plato,-' dat bij de beschrijving van de ademhaling tussen de in- en uitademing de doorademing geplaatst wordt. Alleen wanneer er doorademing plaatsvindt, kan de spiritus zijn rol in het cirkelvormige proces van het horen naar behoren vervullen:
Galenus wenst nu dat na Plato's beschrijving van de uitademing, de inademing er meteen na
geplaatst wordt. Hij [Galenus] prijst het feit dat Hippocrates dit zo gedaan heeft, en keurt het aller­
minst goed dat dit door Plato niet in acht is genomen. Wij [Ficino] echter zeggen dat Plato terecht
na de uitademing, meteen de doorademing [perspiratio] heeft geïntroduceerd als een dringend nood­
zakelijk hulpmiddel.^'
Wanneer inademing en uitademing in een circulair proces elkaar opvolgen, zoals Hippocrates en Galenus beweren, is er tijdens het proces van de ademhaling weinig gelegenheid voor de spiritus om op het lichaam in te werken. Om ruimte te bieden aan de spiritus introduceert Ficino in navolging van Plato daarom na de uitademing de doorademing. Bij doorademing kunnen de bewegingen van het horen via de spiritus op de lever gedrukt worden, en via de lever als bewegende beelden doorgegeven worden aan de lagere ziel. Deze bewegende klankbeelden die door de lever gereflecteerd worden zijn niet langer de abstracte circulaire muzikale bewegingen die in het hoofd binnen­ kwamen bij het beluisteren van muziek. Ze zijn door de werking van de irrationele ziel en de lever getransformeerd tot krachtige, emotioneel geladen, bewegende beelden. Hoewel Ficino niet precies beschrijft hoe deze transformatie in zijn werk gaat, gaat het hier waarschijnlijk om een proces van muzikale imitatie, waarbij de muzikale zowel als de menselijke spiritus als bemiddelaar optreden. Door dit transformatieproces is het mogelijk geworden om muziek niet langer als een verzameling van meer of minder consonante klanken waar te nemen, maar als een imitatie van bijvoorbeeld gevoelens, die tijdens het luisteren een emotionele reactie kunnen oproepen.
Maar hiermee is nog niet precies verklaard hoe een zieke door middel van muziek weer gezond kan worden, en hoe een intelligente luisteraar hierdoor kan komen tot een staat van gelukzalige harmonie. Voor beide doeleinden, die in eikaars verlengde liggen, is het allereerst nodig dat in de muziek een heilzame emotie geïmiteerd wordt. Wanneer iemands lichaamssappen uit balans zijn geraakt, moet bijvoorbeeld een melodie gespeeld of gezongen worden die de juiste emotie bij de patiënt oproept en die er voor zorgt dat het teveel of te weinig aan een bepaald lichaamssap opgeheven wordt.-' Als de lichamelijke balans hersteld is, kan de mens door middel van imitatie van goddelijke harmonie de verstoorde bewegingen van zijn ziel in overeenstemming brengen met de
27 Hoewel Ficino naar eigen zeggen Plato op de voet volgt, moet hierbij wel vermeld worden dat de spiritus- theorie niet in de Timaeus zelf voorkomt, maar afkomstig is uit een latere periode. Zie voor de geschiede­ nis van het sprrr'fws-begrip: G. Verbeke, L'évolution de la doctrine du pneuma du Stoïcisme a Augustin (Louvain 1945).
28 'Desiderat quidem Galenus post exspirationem a Platone descriptam, mox re.spirationem subdi. Quod ab Hippocrate factum laudat, sed a Platone non observatum minime probat. Nos autem merito Platonem dicimus post exspirationem, mox introduxisse perspirationem subsidium suhito necessarium.' Ficino (n. 1), Compendium in Timaeum, cap. XXXXVI, [1484,1485], <79'>, (86).
29 Voor een algemene inleiding op Ficino's ideeën over ziekte en gezondheid in het Compendium in Timaeum, cap. XXXXVII, 'De valetudinc bona vel mala corporis atque animae', [1485], <8o'> verwijs ik naar A. Etienne, '3.4. La « s a n t é » de 1'homme', in op. cit.. Tome I, 371-375.
50
Muziektherapie in Marsilio Ficino's Compendium in Timaeum 51
harmonieuze bewegingen van de planeten. Het enige verschil met het eerder beschre­ ven imitatieproces is, dat het object niet langer een menselijke emotie is.
Volgens de Timaeus (yie-d) kan de lagere ziel zijn vermogen om 'gegrepen te worden door het hogere' uitoefenen, wanneer dit deel van de ziel zich in een toestand van gezondheid en innerlijke kalmte bevindt, bijvoorbeeld tijdens de slaap, of in een vorm van vervoering of extase. Ficino neemt dit denkbeeld van Plato over, en spreekt zich op meerdere plaatsen in zijn filosofie uit over het moment van 'furore', het moment waar­ bij de rationele ziel tijdelijk uitgeschakeld is, en de mens zich daardoor volledig open kan stellen voor goddelijke inspiratie.'" Hij wijst er in zijn rimaeus-commentaar op dat de lever hierbij al sinds de tijd van de Pythagoreeërs een belangrijke functie als spiegel heeft:
Met betrekking tot dit onderwerp, de lever, zul je nota nemen van de opmerkelijke mening van de
Pythagoreeërs, voor wie dit orgaan als gevolg van een sterke stabiliteit en tevens een uitmuntend
vermogen tot aanpassen zo is afgestemd, dat bet, op de wijze van een spiegel, met groot gemak beel­
den van dingen absorbeert en terugkaatst."
Ficino is van mening dat pas in een staat van innerlijke harmonie de beelden uit de gewone zintuiglijke waarneming uitgeschakeld kunnen worden. De dagelijkse waarne­ ming maakt dan plaats voor beelden van een hogere werkelijkheid, zoals de bewegende beelden van goddelijke harmonie. In een toestand van innerlijke rust kan de lever beel­ den spiegelen, die er door goden en demonen op geprojecteerd worden:
In deze spiegel produceren de demonen en goden beelden van toekomstige gebeurtenissen, in alle
gevallen waarin de ziel in staat van perfecte kalmte is, en er geen beelden van elders in afgebeeld
worden.'-
Uit de hierboven gepresenteerde reconstructie van het therapeutische luisteren in Ficino's Timaeus-commentaar blijkt dat Ficino van mening is dat de mens door middel van muziek zijn rationele ziel tijdelijk op een lager bewustzijnsniveau kan brengen, om zich open te stellen voor de bewegende beelden die tijdens het luisteren door de lever via de spiritus aan de lagere ziel worden afgegeven. In een staat van vervoering of inner­ lijke rust kan de lever schaduwbeelden van goddelijke harmonie opvangen. Maar om deze schaduwbeelden juist te interpreteren, moet er, zo meent Ficino, na een muzikale ervaring natuurlijk nog wel een rationele analyse plaatsvinden. Deze hoort aan de wet­ ten van de harmonische wetenschap te voldoen, waarop zijn muziekfilosofie gebaseerd is. In principe zijn alle mensen d.oor God op harmonische wijze geschapen, en daardoor ontvankelijk voor de wonderbaarlijke werking van muziek. Toch stelt Ficino in zijn r/mae«5-commentaar aan het welslagen van muziektherapie zulke hoge eisen
30 Een beroemde brief over Ficino's furore-begrip is bijvoorbeeld: 'De divino furore', in: The Letters Of Marsilio Ficino, vertaald door de Language Department of the School of Economie Science, I (London 1975) 42-48, brief 7 ('On divine frenzy').
31 'Verum de hoc ipso iecore miram Pythagoricorum notabis opinionem, videlicet id membrum ex certa soliditate et clara pariter lenitate, sic esse contemperatum, ut speculi modo imagines rerum accipiat, facile admodum atque reddat.' Ficino (n. 1), Compendium in Timaeum, cap. XXXXV, [1465], <79' >, (84).
32 'In hoc ipso speculo daemones superique futurorum effingunt imagines, quotiens pacato prorsus animo aliunde illic imagines non pinguntur.' Ficino (n. 1), Compendium in Timaeum, cap. XXXXV, [1465], <79' >, (84).
51
52 Jacomien Prins
aan de luisteraar, dat spirituele groei door middel van muziek eigenlijk alleen voor een kleine minderheid van filosofen en muziektheoretici is weggelegd.
Conclusie Wanneer we de verschillende aspecten van de hierboven gegeven analyse met elkaar verbinden, komen we tot de conclusie dat Ficino's muziektherapie grotendeels berust op zijn definities van het begrip 'horen', waarmee een cirkelbeweging tussen het hoofd en de lever en weer terug wordt aangeduid, waarbij door middel van de spiritus bewe­ gende klankbeelden naar de lever worden gezonden, en deze in getransformeerde vorm teruggebracht worden naar het hoofd. Wanneer een luisteraar gegrepen wordt door muziek, wordt zijn rationele ziel tijdelijk uitgeschakeld. Hij staat dan open voor godde­ lijke inspiratie en harmonie, die door middel van de spiritus van de muziek op zijn eigen spiritus overgedragen kunnen worden. Tijdens dit proces kunnen de bewegende klankbeelden een afdruk op de lever maken. Wanneer de luisteraar weer bij zinnen komt, is het mogelijk dat de goddelijke harmonie als bewegend schaduwbeeld in zijn ziel gegoten is. Wanneer hij er vervolgens in slaagt dit beeld op de juiste wijze te interpreteren, kan hij inzicht krijgen in de perfecte harmonie die ook uitgedrukt is in de planetenbanen: de harmonie der sferen, en zijn ziel hiermee in overeenstemming brengen.
De mens heeft in Ficino's muziekfilosofie nieuwe mogelijkheden gekregen om zich actief met hemelse harmonie bezig te houden. Ficino heeft in zijn Timaeus-commen- taar een manier geschetst waarop de mens actief naast God als medeschepper van zich­ zelf kan optreden. Het verwerven van gezondheid en harmonie komt bij het volgen van die weg gedeeltelijk binnen het bereik van de menselijke mogelijkheden te liggen. Maar het blijft hierbij de vraag of gewone mensen als de moeder van Ficino 'op verstandige manier met de muzen kon omgaan', en of zij baat bij het spel op de her van haar zoon kon hebben. Wanneer we het zorgelijk gesteunde hoofd van Marsilio's moeder op de afbeelding van Brunschwig nader bekijken, bekruipt ons over de werkzaamheid van Ficino's muziektherapie in haar geval een bang vermoeden!
SUMMARY
Musical therapy in Marsilio Ficono's Compendium in Timaeum
In this article, I will discuss music therapy in Marsilio Ficino's rimaews-commentary. Ficino's model of sound perception is reconstructed. It lays the foundation for the medical and mind-expanding function of music in his philosophy. Ficino's music ther­ apy follows from his ideas about the harmony of the spheres, a concept that was used in Western culture well into the fifteenth century for rather static descriptions of the cosmos, mainly meant to praise God and his creation. The traditional view about celes­ tial harmony provided hardly any possibility for active human involvement. Ficino changed this significantly when he united Platonic ideas about the music of the spheres with biblical ideas about the imprint of God's image on human beings. Thus, knowl­ edge of the harmonic structure of the cosmos became possible. I will argue that Ficino's reconciliation of the Timaeus with the book of Genesis allowed for the connec­ tion of the ancient doctrines of cosmic harmony and the power of music. This resulted in new possibilities for music therapy.
52