Zingen - cursus

Click here to load reader

  • date post

    04-Jan-2016
  • Category

    Documents

  • view

    39
  • download

    4

Embed Size (px)

description

Zingen - cursus

Transcript of Zingen - cursus

  • WAT IS ZINGEN?

    Zingen is een vocale muzikale verklanking van wat er leeft in ons hart en in onze ziel. Vocaal betekent: met de stem. Zingen is een belangrijke drager van onze cultuur en een uiting van ons menszijn. Het is het oudste muziekinstrument. Mensen zijn de enige wezens op aarde die kunnen zingen, dat heeft te maken met de unieke vorm van ons strottenhoofd en de vorm van onze mond, mondholte en keelholte. En.zingen is heerlijk om te doen!

    Dit schrijven kun je gebruiken als naslagwerk naast de zanglessen, of gewoon doorlezen als je het interessant vindt!

    HOE WERKT ZINGEN FYSIEK?

    Bij zingen kun je drie systemen onderscheiden die met elkaar samenwerken: het ademhalingssysteem (luchttoevoer), het klinkend systeem (de stem) en het resonerend systeem (versterkt het geluid en geeft de stem zijn unieke klankkleur). Als dit geheel fysiek en in muzikaal opzicht samenwerkt ontstaat zang.

    Een toon maken begint altijd bij een klankvoorstelling in je hoofd en de zin om die in geluid om te zetten. Zonder dat gebeurt er niets!

    Lucht wordt aangevoerd vanuit de longen via de luchtpijp naar het strottenhoofd. Daar wordt de lucht door de gesloten stembanden of stemplooien gestuurd, waardoor deze in trilling worden gebracht. De in trilling gebrachte lucht vervolgt zijn weg door de keel-neus en mondholte en verlaat het lichaam via neus en lippen. In ons gehoor worden de trillingen opgevangen en door de hersenen worden ze vertaald naar geluid.

    De ademdruk bepaalt de toonsterkte, de lengte van de stemplooien bepaalt hoe hoog en hoe laag iemand kan zingen en het resonerend systeem zorgt dat de klank versterkt wordt en de unieke klank krijgt die bij die ene persoon hoort. Bij het resonerend systeem hoort ook de articulatie, de uitspraak van klinkers en medeklinkers. Het lichaam als geheel en je emotie geven samen de expressie aan je zang.

    !1 2015 Paula Br-Giese

  • afb. 1

    HET ADEMHALINGSSYSTEEM

    Ademhalen is essentieel om te leven! Daarom hebben wij een ademreflex. Dat wil zeggen dat er constant, onder welke omstandigheden ook, altijd wordt gezorgd dat wij ademen. Ook als we slapen, onder spanning staan of bewusteloos raken. Het is belangrijk je dit te realiseren: voor de adem wordt gezorgd!

    Adem stroom in via de mond en neus, door de luchtpijp in de longen. Zuurstof wordt uit de lucht gefilterd en in het bloed opgenomen, koolzuurgas wordt uitgeademd. De longen kunnen zelf niet ademen, ze worden beademd doordat de ademspieren de borstholte groter maken. De longen zitten aan de borstholte vast en bewegen mee. Daardoor ontstaan er onderdruk in de longen wanneer de borstholte ruimer wordt met als gevolg dat de lucht vanzelf naar binnen stroomt. Daarna ontspannen de ademspieren zich weer, de borstholte wordt kleiner en de lucht wordt a.h.w. naar buiten gedrukt. Het lijkt een beetje op het functioneren van een blaasbalg.

    !2 2015 Paula Br-Giese

  • Zoals gezegd gaat dit proces automatisch al kunnen we er wel invloed op uitoefenen. Dat gaan we ook zeker doen bij het zingen, maar we maken ook gebruik van de natuurlijke ademreflex.

    De werking van de ademspieren De grootste ademspier is het middenrif of diafragma. Het is een peesplaat met een rand van spieren die de borst- en buikholte van elkaar scheidt. Het middenrif ligt als een soort koepel in de romp. De randen van het middenrif zijn verbonden aan de onderzijde van de ribben. Aan de voorkant zit het middenrif vast aan de onderkant van het borstbeen en aan de achterkant lopen er nog pezen door naar beneden, tot aan het heiligbeen. Het middenrif ligt aan de voorkant dus wat hoger dan aan de achterkant.

    Wanneer je inademt daalt het middenrif, de koepel wordt platter en de randen gaan naar buiten. Net als bij een paraplu die half open en helmaal open gaat. Deze beweging kun je goed voelen, je buikwand komt wat naar voren en je wordt breder in de taille. Als het goed is kun het het ook aan de achterkant voelen bij de onderrug, want ook daar gaat de rand van het middenrif naar buiten. Omdat de organen in de buikholte plaats moeten maken voor het dalende middenrif voel je ook dat je buikwand wat naar voren komt. Deze manier van ademen heet buikademhaling. Natuurlijk gaat de lucht niet naar je buik maar als je je het wel zo voorstelt helpt het je om laag in te ademen, dus het middenrif actief te gebruiken.

    Het middenrif wordt geholpen door andere ademspieren, de tussenribspieren, de buik en rugspieren. De tussenribspieren zorgen ervoor dat de ribbenkast wijder en smaller wordt. De buik en rugspieren helpen bij het uitademen. En -zoals we straks zullen zien- spelen ze een belangrijke rol in het reguleren van de adem bij het zingen. Wanneer je vooral je tussenribspieren gebruikt -en het middenrif wat minder- voel je bij het inademen voornamelijk de flanken uitzetten.

    Je kunt ook hoog inademen, zodat je borst omhoog komt. Nu blijft het middenrif vrijwel geheel passief en moet al het werk gedaan worden door de tussenribspieren en de halsspieren. Dit geeft een gespannen ademhaling die weinig lucht oplevert en veel moeite kost. Bovendien geeft het spierspanning rond het keelgebied. Dat kunnen we niet gebruiken als we gaan zingen of spreken.

    !3 2015 Paula Br-Giese

  • De meest ideale ademhaling is een gecombineerde midden-lage ademhaling (activiteit van resp. de tussenribspieren en het middenrif). Zo krijgen we ruim voldoende lucht binnen met relatief weinig moeite en veel beheersing. In het begin concentreren we ons vooral op het lage inademen, dus op het middenrif. afb. 2

    DE STEM

    De stemplooien

    Het ademen gaat over de luchttoevoer. Zonder adem geen zang en geen leven! Maar het geluid wordt geproduceerd door de stembanden, beter stemplooien genoemd. Zij zitten in het strottenhoofd. Het strottenhoofd zit bovenaan de luchtpijp. Bij mannen kun je goed lokaliseren waar de stemplooien ongeveer zitten, namelijk bij het meest itstekende deel van de adamsappel. Bij vrouwen is dat ook zo maar dat is natuurlijk minder goed zichtbaar. Mannen hebben een groter strottenhoofd en langere stemplooien, tussen de 17-21 mm. Vrouwen hebben een kleiner strottenhoofd en stemplooien russen de 11-15 mm. Kinderen hebben iets kortere stemplooien dan vrouwen. Als jongens in de pubertijd raken gaat het strottenhoofd vrij plotseling groeien, dan ontstaat de baard in de keel. In ongeveer in 2 jaar tijd gaat de stem ongeveer 8 tonen (een octaaf) lager klinken.

    !4 2015 Paula Br-Giese

  • Ook meisjes maken zon ontwikkeling door maar het verschil in hoogte met de kinderstem is veel kleiner dan bij jongens (hij gaat ongeveer een terts, 3 tonen lager klinken). En zij doen er veel langer over, een jaar of 4. Jongensstemmen zijn niet per s lager dan meisjesstemmen en hoge kinderstemmen kunnen lage volwassen stemmen worden, alle combinaties zijn mogelijk.

    afb. 3 afb. 4

    afb. 5

    Op afbeelding 3 en 4 is de ligging van de stemplooien te zien. Afbeelding 5 toont de stemplooien in actie.

    !5 2015 Paula Br-Giese

  • De twee stemplooien bestaan uit verschillende lagen: elke stemplooi heeft een stemplooispier, daaroverheen elastisch bindweefsel, een vliesje en dit alles wordt bedekt door een slijmvlieslaag. Het vliesje zit vast aan een bekervormige kraakbeentje dat kan kantelen, schuiven en draaien. Zo kunnen de stemplooien openen en sluiten. Dit bekerkraakbeentje maken ook deel uit van de stemplooi, voor plm. 2/5 van de totale lengte. Het zachtere deel beslaat plm. 3/5 van de totale lengte. Stemplooien liggen horizontaal in het strottenhoofd, aan de voorkant zitten ze vast aan het schildkraakbeen en aan de achterkant met de twee bekervormige kraakbeentjes op het ringkraakbeen, bovenaan de luchtpijp. De gesloten stemplooien liggen netjes tegen elkaar aan. Als ze geopend zijn liggen ze in een V vorm, vooraan dicht en achter open, dit is de stand bij ademhalen. Bij geeuwen staan de stemplooien extra ver open. Boven de zogenaamde ware stemplooien bevinden zich de valse stemplooien, die de ware stemplooien beschermen. Als je veel kracht zet bij bijvoorbeeld tillen sluiten zowel de ware als de valse stemplooien zich. Met de valse stemplooien kun je niet zingen, wel grommen.

    Klank maken

    Wanner je klank gaat maken (foneren) bewegen de stemplooien zich naar elkaar toe. Vanuit de luchtpijp wordt lucht aangevoerd die a.h.w. tussen de stemplooien naar buiten wordt geblazen, de stemplooien worden in trilling gebracht. De lucht ontsnapt in kleine plofjes lucht, er ontstaat een toon. Hoe sneller de stemplooien trillen, hoe meer plofjes' lucht er per seconde ontsnappen en hoe hoger de toon klinkt (het aantal Hz, trillingen per seconde). Hoe langer de stemplooien zijn, hoe trager ze zullen trillen, hoe lager de stem klinkt en vice versa. De stemplooien kunnen aangespannen worden waardoor de toon hoger wordt. Net als bij een elastiekje: als je dit strak trekt en aan tokkelt klinkt een hogere toon dan bij een slapper gespannen elastiekje. Hoe de stemplooien zich openen en sluiten bepaalt voor een deel de klank: langere sluiting en kortere opening geeft een luidere toon, kortere sluiting en langere opening geeft een zachter toon, een tragere sluiting geeft een omfloerst geluid, abrupte sluiting geeft een helder geluid.

    Registers

    Een stem heeft twee registers. Dat wil zeggen dat de stemplooien op twee verschillende manieren geluid kunnen produceren waardoor er ook een heel andere klank ontstaat.

    !6 2015 Paula Br-Giese

  • Hoge register Het kraakbenige gedeelte van de stemplooien blijft gesloten, dus de stemplooien trillen maar over 3/5 deel van hun lengte. Dat geeft een hogere toon. De stemplooispier blijft ontspannen waardoor de stemplooien dun blijven. Daardoor klinkt de stem ook l