Web viewHet evaluatiedocument omvat 4 onderdelen . Basiscompetenties: De basiscompetenties...

Click here to load reader

  • date post

    01-Feb-2018
  • Category

    Documents

  • view

    213
  • download

    0

Embed Size (px)

Transcript of Web viewHet evaluatiedocument omvat 4 onderdelen . Basiscompetenties: De basiscompetenties...

1

EVALUATIEDOCUMENT

BP2 BP3 BP4 BP5

Dit document is ingevuld door:

(kruis aan)

O cursist

O mentor

tussentijdse bespreking/evaluatie

eindevaluatie

Naam cursist:

Naam mentor: ..

Naam praktijklector:

datum: 26/10/2016

datum:

Het evaluatiedocument omvat 4 onderdelen

A. Basiscompetenties:

De basiscompetenties beschouwen we als fundamenteel om de job van opvoeder/begeleider zorgvuldig (methodisch en ethisch verantwoord) te kunnen uitvoeren.

B. Beroepsspecifieke competenties:

De beroepsspecifieke competenties hebben betrekking op de eigenheid van het beroep van opvoeder/begeleider.

In het HBO wordt dit veelzijdig karakter van de opvoeder/begeleider vertaald naar acht verschillende beroepsrollen toe. Ze worden progressief opgebouwd.

C. Leerhouding en leerproces van de cursist.

D. Formuleren van besluit

e

d

c

b

a

Beoordelingsschaal

Score e: Zware tekorten wat betreft het functioneren van de cursist op het vlak van de geformuleerde doelstellingen en tevens zeer weinig evolutie waar te nemen (- 3/10)

Score d: Er is onvoldoende resultaat wat betreft het functioneren van de cursist op het vlak van de geformuleerde doelstellingen en tevens onvoldoende evolutie

(3 5/10)

Score c: Er is voldoende resultaat wat betreft het functioneren van de cursist op het vlak van de geformuleerde doelstellingen, voldoende evolutie (5-6,5/10)

Score b: Goed resultaat wat betreft het functioneren van de cursist op het vlak van de geformuleerde doelstellingen, goede evolutie (6,5-7.5/10)

Score a: Zeer goed resultaat wat betreft het functioneren van de cursist op het vlak van de geformuleerde doelstellingen, goede evolutie (+ 7.5/10)

Bedankt voor jullie engagement en samenwerking.

Kernthemas voor de verschillende modules BP

BP2 : Participerende observatie en vragen stellen

BP3 : Doelgerichte, actieve participatie en reflecteren

BP4 : Link theorien methodieken praktijk

BP5 : Integratie en verbreding van de competenties

A. Basiscompetenties

1. Engagement: initiatief en verantwoordelijkheid

Zich daadwerkelijk verbinden in zijn werk.

e

d

c

b

a

Toelichting:

2. Communicatie: omgaan met assertiviteit en informatie

Assertiviteit: onderneemt actie om mensen aan te spreken op basis van weldoordachte argumenten.

Omgaan met informatie: mondeling en schriftelijk contact aangaan met clinten, hun netwerk, collegas en organisatie.

e

d

c

b

a

Toelichting:

3. Flexibiliteit

Gedrag, benadering en/of denkwijze aanpassen bij onverwachte of wijzigende omstandigheden.

e

d

c

b

a

Toelichting :

4. Kritische zin

Kan (zichzelf, zijn omgeving) de waarde van een bewering/feit, de haalbaarheid van een gesteld doel verifiren vooraleer een mening te hebben/formuleren.

e

d

c

b

a

Toelichting:

5. Stressbestendigheid

Een evenwicht vinden tussen draaglast en draagkracht.

e

d

c

b

a

Toelichting:

6. Creativiteit en humor

Brengt humoristische, nieuwe en vindingrijke invalshoeken/ideen aan.

e

d

c

b

a

Toelichting :

Gebruikt wel humor naar de clinten toe. Volgt nu vooral nog de planning van het DC. Brengt nog niet zelf nieuwe ideen aan. Maar kan daar wel de mogelijkheid toe krijgen in het tweede deel van de stage.

Het is vooral nu gericht op het leren kennen van methodieken, werking, clinten en meedoen en actief meedoen aan therapien.

7. Empathie

Zich inleven in de ervaring- en belevingswereld van de anderen en dit laten blijken.

e

d

c

b

a

Toelichting:

8. Respect

Waardering tonen in spreken en handelen t.a.v. zichzelf, de clint, het netwerk, de werkomgeving.

e

d

c

b

a

Toelichting:

9. Denk-, leer- en redeneervermogen

Gericht zijn op het verkennen en verwerven van nieuwe informatie, denkwijzen, benaderingen en vaardigheden.

e

d

c

b

a

Toelichting:

10. Oordeelsvermogen

Op basis van grondige afweging van feiten en gegevens tot een onderbouwd standpunt komen.

e

d

c

b

a

Toelichting :

NVT ( zal in de volgende stageperiode een reflectieverslag schrijven over een situatie om bepaald standpunt te komen.)

B. Beroepsspecifieke competenties

1. Organisator/ondersteuner wonen, leren en vrije tijd

De cursist toont aan dat hij in staat is in samenspraak met clinten/clintsysteem aangepaste activiteiten te organiseren en te begeleiden.

e

d

c

b

a

1.1 Stelt vragen rond het hulpverleningsaanbod van de organisatie. (BP2)

1.2 Beschrijft een dagverloop aan de hand van eigen ervaringen. (BP2)

1.3 Geeft een omschrijving van taken en functies. (BP2)

1.4 Activeert door zijn deelname de groepsleden. (BP2)

1.5 Blijft tijdens een groepsactiviteit oog hebben voor alle groepsleden. (BP2)

1.6 Neemt initiatief tot en stimuleert huishoudelijke activiteiten of zorg voor de leefomgeving. (BP2)

1.7 Ondersteunt de zelfredzaamheid van de clint. (BP2)

1.8 Heeft oog voor de lichamelijke verzorging van de clint. (BP2)

1.9 Vindt een evenwicht vinden praktische taken en het relationele. (BP2)

1.10 Raadpleegt op zelfstandige wijze informatie i.f.v de (ped)agogische hulpverlening en communiceert hierover met

collegas en/of mentor. (BP3)

1.11 Concretiseert visie en doelstellingen van de organisatie aan de hand van voorbeelden. (BP3)

1.12 Hanteert het evenwicht tussen groepsgericht en individueel werken. (BP3)

1.13 Werkt een activiteit op een methodische wijze uit. (BP3)

1.14 Geeft mondeling informatie door aan een grote groep. (BP3)

1.15 Komt tot het zelfstandig aanpakken van probleemsituaties en conflicten. (BP4)

x

1.16 Hanteert de invloed van cultuurverschillen. (BP4)

x

Toelichting :

Gaat respectvol om met alle clinten ongeacht hun afkomst/ verleden.

2. (Ortho)(Ped)agogische begeleider

De cursist toont aan dat hij in staat is om clinten op een (ortho)(ped-)agogische verantwoorde wijze te begeleiden in hun ontwikkeling. Hij biedt een relatie aan waardoor clinten zich optimaal kunnen ontplooien t.a.v. verschillende ontwikkelingsdimensies (cognitief, sociaal, emotioneel).

e

d

c

b

a

2.1 Beschrijft de eigenheid van de doelgroep (mogelijkheden, beperktheden, specifieke problemen, interesses, gevoeligheden.

(BP2)

2.2 Kan doelgericht observeren. (BP2)

2.3 Maakt gebruik van dagdagelijkse situaties om een relatie op te bouwen met de clint. (BP2)

2.4 Stemt zijn contactname af op het niveau en/of de belevingswereld van de clint. (BP2)

2.5 Is zich bewust van zijn non-verbale communicatie in relatie tot de clint. (BP2)

2.6 Voelt aan wat er in de groep leeft en bespreekt dit. (BP2)

2.7 Lost kleine problemen op zonder hulp in te roepen. (BP2)

2.8 Leeft zich in maar behoudt toch voldoende afstand. (BP2)

2.9 Informeert naar de achtergrond van de clint. (BP2)

2.10 Creert een sfeer waardoor de clint zich veilig voelt. (BP2)

2.11 Stelt zich toegankelijk, zichtbaar en bereikbaar op, zodat clinten zich uitgenodigd voelen en met hun vragen terecht

kunnen. (BP2)

2.12 Past de methodiek van het actief luisteren toe in een gesprek. (BP2)

2.13 Behoud zijn echtheid in relatie tot clinten. (BP2)

2.14 Vraagt bij onverwachte situaties hulp en ondersteuning waar nodig. (BP2)

2.15 Bespreekt aspecten van de voorgeschiedenis en omgevingsfactoren in verband met het huidige gedrag van de clint met collegas en/of mentor. (BP3)

2.16 Brengt de geobserveerde gegevens in relatie met de hulpvraag van de clint. (BP3)

2.17 Stimuleert de cognitieve, emotionele, sociale en motorische ontwikkeling van de clint. (BP3)

2.18 Maakt bewust gebruik van zn non-verbale communicatie. (BP3)

2.19 Stelt duidelijke grenzen t.a.v. het individu in de groep. (BP3)

2.20 Omschrijft en beschrijft een situatie objectief en volledig. (BP3)

2.21 Geeft de clint ruimte om zelf oplossingen te bedenken. (BP3)

2.22 Kent het aanbod (o.a. methodieken en activiteiten) om in te gaan op een individuele hulpvraag. (BP3)

2.23 Geeft suggesties voor een toekomstige aanpak op basis van doordachte observatiegegevens. (BP3)

2.24 Stimuleert de clint tot het nemen van eigen verantwoordelijkheid en tot participatie. (BP3)

2.25 Stimuleert de ontwikkeling van de clint, voortbouwend op wat hij al verworven heeft en/of op de aanwezige krachten.

(BP3)

2.26 Geeft aandacht aan de clint en vertrekt vanuit een grondhouding van onvoorwaardelijke acceptatie. (BP3)

2.27 Erkent het referentiekader van anderen als waardevol en gaat hier respectvol mee om. (BP3)

2.28 Kent minstens twee theoretische en methodische opvattingen m.b.t. de doelgroepproblematiek. (BP4)

X

2.29 Omschrijft de doelgroep en de problematiek gedifferentieerd. (BP4)

x

2.30 Evalueert het eigen handelen in d