Een vink zegt sus

Click here to load reader

  • date post

    28-Mar-2016
  • Category

    Documents

  • view

    229
  • download

    0

Embed Size (px)

description

Playful poems about animals.

Transcript of Een vink zegt sus

  • Speelsedierengedichten

    Eenvink zegtsus

    Geert De Kockere met illustraties van Geert Vervaeke

    Een vink zegt sus.En ke.En wiet.

    Maar dan in n keer.En hij zingt het als een lied.

    Kun jij dat ook?Echt?Als een vink zo mooi?

    Niet doen!

    Wie weetmoet je k in een kooi.

    Geert De Kockere schreef een boek vol speelse dierengedichten voor eerste lezers. Het zijn gedichten over alle dieren die je maar kunt bedenken, van een spin tot een specht, van een koe tot een gnoe en van een vlo tot een vos.

    De frisse illustraties van Geert Vervaeke brengen de dieren ook cht tot leven.

    Een vink zegt sus Geert D

    e Kockere &

    Geert V

    ervaeke

    9 7 8 9 0 2 0 9 9 8 7 0 2www.lannoo.com

    Vink_cover_18_07.indd 1 18/07/11 12:02

  • Speelsedierengedichten

    Geert De Kockere

  • Speelsedierengedichten

    Eenvink zegtsus

    Geert De Kockere met illustraties van Geert Vervaeke

  • Een pauw maakt zijn pak niet zelf.Een pauw lt het doen.Met veel blauw en groen.

    En ver weg.In een mooi land.

    Je ziet het aan de snit.En aan de staart,die wijd spreidt.

    Het is een truc.Iets dat vouwt.Hier en daar een plooi.

    Maar wat oogt dt mooi!

    5.

  • Een bij zoemt door de wei.Zoem zoem zoem.Ze zoekt een bloem.

    Dat doet een bij.Wat zou ze anders in een wei?Toch niet bij een koe op de thee?Dat is echt niets voor een bij.

    Nee, ze wil een bloem uit de wei.Zoem zoem zoem, doet de bij.

    En soms ook eens boem.

    Dan had ze pech.Dan stond er een koe in de weg.

    6.

  • Een paard had zin in bier.O nee, dit wordt gek.Lees ik voort of stop ik hier?Ja echt, een paard had zin in bier.Het riep: Ik wil bier!

    Toen stond daar plots een ton.Een ton vol bier.Hoe dat kon?Weet ik veel!Er was geen boer te zien?Neen.Niet hier, niet daar, niet een.

    Het paard kroop in de tonen dronk zo veel als het maar kon.

    Toen zei het hik!En uit zijn buik kwam toen plots,ja hoor,tch een boer!

    8.

  • Een vlieg eet van je bord.

    Ze likt aan je saus of prikt in je gort.Ze wil van de jus of zit aan de jam. En zag je haar tong?

    Zo klein als wat.Zo pruil als prut.Zo priel als prot.Een lik in de pot.

    Iets van niets!Een pruts, een prul, een priet.

    Lief, niet?

    11.

  • Een koi komt van een ver land.

    Hij zegt niet dag.Hij zegt hoi.Hij zegt niet mooi.Hij zegt moi.

    Denk je?Ik denk het niet.Een koi zegt geen woord.Niet hoi en ook niet moi.Een koi zegt niets.Noi!

    13.

  • Een jak is sterk.Hij draagt een juk.In een ver land ploegt hij het veld.Om en om.Het is een zwaar werk.

    Maar wat is hij dom!

    Af en toe kijkt hij om.Dan ziet hij de boer en denkt:

    Wat moet hij?Hij volgt mij!En wel op de voet!Moet hij een schop?

    Ja, een jak is sterk.Maar niet in zijn kop.

    14.

  • Een specht heeft iets met een gat.Hij wil steeds een gat.

    Voor een nest?Ja, dat zegt hij.Maar dat liegt hij.

    Hij denkt aan een schat.Diep in de boom.En dus hakt hij een gat.

    Hij hakt in het hout.Woest en wild.Want hij denkt aan het goud.

    Maar hij vindt geen schat.En dus maakt hij wr een gat.En ng een gat.

    En weet je wat?k zei hem dat.Op een keer.Van die schat.

    17.

  • Een krab helpt het strand.Als het jeukt,krabt ze aan het zand.

    Eerst komt ze aan land.Dan krabt ze met haar poot.En met haar schaar.Dat krabt wel raar,zo met een schaar.

    Dank je, zegt het strand.En ze roept een golf.Uit de zee.

    Die komt en gaaten neemt de krab weer mee.

    18.

  • Een draak past hier niet.Niet in een vers als dit.

    Het is meer iets voor een lied.Een lied met een held.(Ben ik niet.)Een held met moed.(Soms ook bloed.)

    Nee, een draak past hier niet.

    21.

  • Een mug steekt.

    Zo kort?Ja, heel kort.In je wang.Maar je voelt het wel lang.

    Je krijgt een bult.En het jeukt.Je krabt.Soms tot het bloedt.

    Een mug steekt dus kortmaar goed.

    22.

  • Een mier telt tot zes en nooit tot vier.Poot voor poot doet ze dat.

    En twee drie, dun als draad,vier vijf zes, kijk uit waar je gaat.

    Ja, zo doet ze dat, op rijm.Zes keer een poot.Op de stoep of in de goot.

    En twee drie, dun als draad,vier vijf zes, kijk uit waar je gaat.

    Het is niet niks.Niet voor een mier.Zes keer een poot.Zes keer een stap.Zes keer op en zes keer neer.

    Steeds weer.

    24.

  • Een rat zat in de put.Een put vol prut.Het was er vuil en vies.Het stonk er goed.Naar kuil en pies.

    Een neef kwam langs.Hij snoof eens diepen zei toen met een zucht:

    Hoe maf, hoe cool!Hoe neig is hier de lucht!

    Het was praat vol prietin een put vol prut.

    Van een rat uit de stad.

    27.

  • Een slang is snel.En ze kruipt af en toe uit haar vel.

    Is ze dan naakt?Heeft ze dan niets meer aan?Mag dat wel?Bloot op straat?Naakt de weg op gaan?

    Nee, ze is niet naakt.Maar nieuw.De slang is nieuw.

    Vers.Vers vel.Snap je wel?

    28.

  • Een uil draait zijn kop.Voor en om.Naar links, naar rechts.Is hij iets kwijt?

    Zijn bril?Zijn pruik?Zijn tijd?

    Hij kijkt en kijkt, draait zijn kop.Om en om, wat is er zoek?

    Zijn kaars?Zijn draai?Zijn boek?

    Het is niets.Hij is niets kwijt.En nooit vindt hij niets.Tot zijn spijt.

    31.

  • Een mees is het meest meesals het vriest dat het kraakt.

    Dan komt ze dicht bij huis.Ze hoopt op een bol vet.Of zaad in een net.

    Ze vliegt er op af,hangt schots en scheef,krult en kromten krijst en roept. En ze snoept.Een mees is daar goed in. Maar soms heeft ze geen zin.Dan zit ze stil.Op een tak.Dik van de kou.

    En ze denkt:Ik wou dat ik waswaar ik kon dat ik zou...

    32.

  • Een vis die zwemt.(Noch broek, noch hemd.)Een vis die wroet.(In zout of zoet.)Een vis die ligt.(Geen recht, geen plicht.)Een vis die vliegt.(Dat zegt en liegt.)Een vis die eet.Hap en BEET!

    Heb je hem?Beet?De vis beet?

    34.

  • Een mol heeft een poot.Z groot.En nog een poot.Ok zo groot.

    Als een schop.

    Hij graaft een gang.Z lang.En nog een gang.Ok zo lang.

    En aan het eind ben je nog mee? maakt hij een hoop.Als een berg.Z hoog.En nog een berg.Ok zo hoog.

    Vind je dat erg?

    37.

  • Een schaap is dom.Het maakt van wol een trui,het doet die omen krijgt die niet meer uit.Ja, stom!

    De boer komt dan met een schaar.Of met een scheer.

    En hij knipt.En knipt.En knipt.Of scheert.En scheert.En scheert.Pluk na pluk na pluk.

    En ook dt is dom.Van die boer.Want die trui is dan stuk!

    38.

  • Een kip kent haar taal.En hoe!

    Ze zegt:

    Draai mij omen je weet wat ik doe...

    41.

  • Een lynx is een kat.En weet je wat?Ze haat een kind.

    Ze pest je met haar naam.Met die y er in.En met die x.Voor een kind is dat niet niks.

    Maar schaam je maar niet.Schaam je nietals je niet goed leest wat je ziet.

    De lynx kan het zelf k niet!

    42.

  • Een wesp lust hesp.

    Zeg ik het goed?Ik zeg het nog eens:Een wesp lust heps.Oei...Nee, dat ging niet goed.Dat klonk vals.Zo dan?Een weps lust hesp.Nee, ook niet.Een weps lust heps.Hm, zo was het niet.Een wesp luts heps.Ook niet.Een wesp luts hesp.Een heps lust weps.Een hesp luts wesp.Een luts heps weps.

    Help, ik weet het niet meer!

    Wacht, ik zeg het zo:Een wesp lust ham!

    45.

  • Een duif zit op een tak en roept:

    Ik groet u, zoet lief.Ik groet u, zoet lief.

    Heeft die duif een lief?Echt een lief?Een lief waar ze het mee doet?Zus en zoet?

    Wat doet?Dat weet je toch! Ht doet.O, dat!Ja, dat!

    Nee.Ze krijgt haar kleed niet uit.Ze is nooit bloot.O...

    H, wat zie jij plots rood!

    46.

  • Een stier lag in de wei.Hij keek naar wat hij zag.Naar al dat gras waar hij in lag.

    Ik hou van groen,dacht hij toen.Maar niet van rood.Nee, niet van rood!Hij werd al kwaad als hij het dacht!

    Maar hoe komt dat toch?Wat is er met dat rood?

    Het rijmt op dood,dacht de stier.Is het dat?Zit dat me dwars?En de stier bleef boos,boos op al het rood.

    Tot zijn dood.

    49.

  • Een slak heeft maar n voet.Dat snap je niet goed.

    Maar n voet!En voet om te gaan.En niet eens een been om op te staan.

    En ze zeult met een huis.Op haar rug.In een wei.Of in een tuin.Die van jou of die van mij.

    En soms kruipt ze een boom in.Met pak en zak.En met een huis dat weegt.

    Ja, z sterk is een slak.

    50.

  • Een beer is stoer.Of hij nu rent of rust, staat of zit.En ook al ziet hij nog zo wit.

    Je hoort het zo.Zeg het zelf maar eens: beer...

    Dat klinkt sterk.Dat klinkt stoer.Dat klinkt zwaar.Dat is toch waar?

    Het is die b.Die b maakt de beer.Zoals de h de heer.De v de veer.De p de peer.

    En die b doet boem.Ze maakt van de beer iets stoers.Van de boer iets boers.

    Ja, de beer is stoer.Maar ook wel zacht.Slaap zacht...

    53.

  • Een luis, echt waar,haal je in je hoofd.

    Je krabt je in je haar en denkt:Hoe kom ik aan die luis?

    Maar zo gaat dat.Je komt er op een dag mee thuis.

    En nog voor je goed en wel je jas uit hebt,heeft ze al een zus.En een broer.Een neef, een nicht en al de rest.Je hoofd wordt een nest.

    Zo gaat dat met een luis.Voor je het weet,neemt ze je beet...

    54.

  • Een kat hoor je niet.Ze is zo stil als wat.

    Ja, als wat?

    Als een wind?Nee, die zucht nog.Als een veer?Nee, die zoeft nog.Als een draad?Nee, die zingt nog.In de wind.Soms toch.

    Als sneeuw dan?Ook niet.Die knerpt nog.

    Maar als wat dan?

    Als een kat.Een kat is zo stil als een kat.