Een verhaal over een halloweennacht, een zotte ... Milla de vis Een verhaal over een halloweennacht,...

Click here to load reader

  • date post

    22-Aug-2020
  • Category

    Documents

  • view

    0
  • download

    0

Embed Size (px)

Transcript of Een verhaal over een halloweennacht, een zotte ... Milla de vis Een verhaal over een halloweennacht,...

  • Milla de vis

    Een verhaal over een halloweennacht,

    een zotte koning, de klas van Karo en een

    fantastische vis.

    Tekst en illustraties: klas Karo, oktober 2018

  • Milla de vis

    Ons verhaal begint in de vroege avond van 31 oktober. De schoolbus waarmee de klas van

    Karo op bosklas was vertrokken, begon na een half uurtje rijden plots te vertragen en te

    schokken om uiteindelijk met een lange zucht stil te vallen.

    Karo, die de bus bestuurde, begon vreselijk te vloeken: “Verdomme! Allee komaan, dat

    meen je toch niet...” Ze keek naar de wijzer van de benzinetank. Bijna leeg…. “Zeg dat het

    niet waar is hé ! Panne!” Ze startte de motor opnieuw.

    Na een paar keer proberen lukte het. Oef !

    De kinderen hadden eerst niet door dat er iets aan de hand was met de bus, ze vertelden om

    het luidst griezelverhalen aan elkaar en er werd tijdens de rit luid gelachen.

    Toen Tania haar honderdste poging om de kinderen wat stiller te krijgen weinig effect had,

    greep Karo naar de micro terwijl ze met haar voet hard op de rem trapte. “Hey Karo, zijde

    zot ofwa??” brulde er iemand en Karo zei kwaad: “Gasten, 't is nu genoeg! Stop nu

    alsjeblieft met brullen! Ik kan me met zo’n lawaai echt niet concentreren op de baan.

    Komaan zeg….”

    “Doe zelf eens normaal mens!”, zei Femke.

    Tania probeerde de kinderen wat rustiger te maken. “Komaan gasten,…. Over een half

    uurtje zijn we er. Probeer het nu wat rustig te houden zodat Karo verder kan rijden zonder

    gedoe.”

    “Goed dat we onze gordels aan hebben”, zei Regilio, “anders waren we daarnet misschien

    allemaal met een voorwaartse dubbele salto door de vooruit van de bus gevlogen. BAM !

    KRAK!”

    “Ja”, zei Django, “En dan waren we nu aan het bloeden en lag ons hoofd er misschien af en

    liepen we rond als zombies...”

  • Er werd nog wat verder gegriezeld maar niet zo luid meer. En ook niet zo lang meer, want

    even later schokte de bus opnieuw en stonden we echt in panne.

    “Wat doe je nu Karo?”, vroeg Ilia. “Waarom stop je ?”.

    Maxime keek naar buiten. Het was donker buiten en de volle maan scheen fel deze avond.

    “Juf Karo, zijn we er al?”, vroeg hij.

    Karo zuchtte, draaide zich om naar de kinderen en zei met een klein stemmetje: “Het spijt

    mij tsjoepkes, maar euh… We zitten zonder benzine… De tank is echt leeg nu...ik ben

    onderweg vergeten stoppen bij een tankstation...”

    Over de volgende 5 minuten gaan we je niet te veel vertellen. Boze kinderen. Een juf die op

    ontploffen stond van de stress. Roepen. Paniek…. Je kan je er wel iets bij voorstellen… ?

    Hier stonden we dan: twee volwassenen en zes kinderen in the middle of nowhere met een

    kapotte bus aan de rand van een bos. En niemand, echt niemand die bereik had op zijn

    smartphone.

    “Ja, wat had je gedacht,… zo'n stom boerengat”, zei Femke.

    Ze had gelijk…. Geen huizen in de buurt, geen mens te bespeuren. Er was geen verkeer op

    de weg. Zelfs geen straatverlichting. Niks. Er was alleen een koude wind, een grote volle

    maan en wolken die voorbij zweefden zodat het af en toe nog donkerder werd.

    We hoorden het geritsel van oude droge bladeren die nog aan de hoge bomen hingen en

    plots stak er een kille wind op die iedereen koude rillingen gaf.

    “Daar, licht!” riep Ilia luid. Hij had gelijk !

    In de verte zagen we een piepklein vierkant lichtje branden.

    “Kom gasten. Ik denk dat daar een huis is. We gaan er zo rap mogelijk naartoe. Dan kunnen

    we Eva bellen en kan zij hulp sturen.”

    De grond was modderig en er hing een regenbui in de lucht. We stapten snel door langs de

    kant van de weg.

    “Ik zweer het u! Als mijn Louis-Vuitton-broek vuil wordt of scheurt, stuur ik de rekening

    naar school en mogen jullie mij een nieuwe kopen. Plus een schadevergoeding”, zei Dusan.

    En zo stapten we met ons achten dicht bij elkaar door de modder, daarna door een stukje bos

    en tenslotte nog stukje op een gewone weg.

    De wandeling duurde zeker een uur en iedereen was moe, had koud en dorst en honger.

    Eindelijk kwamen we dichter en dichter bij het licht.

    Het kwam uit een klein cafeetje. Ernaast stonden er nog enkele huizen en een winkel. We

    waren in een klein dorpje beland.

    We gingen het café binnen. Alle kinderen ploften zich neer bij een tafel in de hoek.

    Karo zei: “Ik zal eerst iets bestellen om te drinken voor jullie en dan ga ik bellen. Oké ?”

    De kinderen waren zo moe dat ze zelfs geen kracht meer hadden om te antwoorden.

    Iedereen zat een beetje voor zich uit te staren.

    Achter de toog stond er een vrouw een glas af te drogen. “Madam”, zei ze tegen Karo.

    “Wa komt gij hier doen met die kindjes zo laat op den avond ?”

    Karo vertelde het hele verhaal en vroeg of ze even mocht bellen.

    Ze belde. Vloekte. Belde nog eens. Vloekte harder…. “Eva, please…. Neem die telefoon

    op !”

    Maar Eva nam niet op. (Ze zat in bad.) Dus Karo sprak gewoon een boodschap in.

  • “Mevrouw,… denk je dat ik hier ergens kan overnachten met mijn gasten ? Onze bus staat

    in panne. Ik denk dat ik pas morgen iets geregeld kan krijgen…”, vroeg Karo.

    “Hebde gij hier een hotel gezien meiske ?”, lachte de vrouw en met haar hoofd wees ze in

    de richting van de deur. Ze zei: “Ge kunt ne keer proberen daar aan den overkant, daar staat

    ter een groot kasteel. Der woont daar zjust nen ouwe vent, misschien kunde daar wel slapen

    met uw gastjes. Plekke genoeg in ieder geval…..”

    Ineens vielen alle gesprekken stil. Niemand bewoog nog en alle gasten in het café keken

    elkaar vluchtig aan. Een oude man die aan de toog zat, dronk zijn glas in één keer leeg en

    kwakte zijn glas hard neer.

    Hij was zat. Hij kwam van zijn barkruk en brulde : “Ge gaat die mensen toch nie naar da

    spuukhuis sturen Janine ! Hoe durfde !”

    Plots waren de kinderen weer helmaal wakker. De jongens riepen: “Een spookhuis??

    Woehoe, de max! We gaan er naartoe, zo cool!!”

    Femke draaide met haar ogen en mompelde: “Jaja, gaan jullie maar, ik blijf hier.”

    “Jongens, jongens!! Rustig aan, niemand gaat hier zomaar ergens zomaar naar toe”, zei

    Karo en tegen de oude man zei ze: “Meneer, ik vind dit niet grappig. Met uw flauwe kul

    maak je de kinderen bang.

    “Dat denkt ze ! Wij willen zombies zien!!”, fluisterde Django op de achtergrond.

    “Kom gasten, neem jullie spullen mee, we gaan es gaan zien bij dat kasteel.”

    “Maar neen, stop!! Ik meen het!!! Dat kasteel is vervloekt… jullie lopen gevaar, echt waar!”,

    riep de man.”

    “Zeg Gerard, diene vloek is een vertelselke om kinders bang te maken. Laat die mensen ne

    keer gerust...”, zei de barvrouw.

    De oude man, Gerard dus, maakte zich echt kwaad: “Ah ja ?! En die kinderen die in ’t

    kasteelbos verdwenen zijn ? Hé ?! Weet ge ’t nie meer misschien ?! Margotje Van de Venne,

    Floris Van Cappeel en Mohamedje… dat schoon ventje…”.

    “Wat??” zeiden Karo en de kinderen in koor.

    “Jaaa madam, ge hoort het goed! Er gebeuren daar rare dingen bij dat kasteel… ”, en Gerard

    begon te vertellen. Wilt ge het weten of interesseert het u niet ?”

    “Vertel maar”, zei Karo. ‘’t is nu ook niet dat we gehaast zijn.”

    De oude man vertelde: “Hoe het allemaal zjust in mekaar zit weet ik ook niet…. Maar dat

    weet ik wel….Wacht…. Ik ga proberen in ’t schoon Vlaams te klappen hé madam. Dat ge

    mij goe verstaat….

    Het begon allemaal op een donkere stormachtige avond, dinsdag 31 oktober 1949. Het was

    de avond voor Allerheiligen, maar nu noemen de mensen dat Halloween. In die tijd woonde

    er hier nog een koning in het kasteel. Hij had geen vrouw meer. Maar wel een butler. En

    heel schone viskes. Dat kwam zo:

    Op een dag kwam de butler van de koning terug van vissenjacht. Meestal viste de butler

    forellen of paling en die maakte hij dan klaar voor de koning. De butler kon heel goed koken

    en hij kreeg er dan ook altijd veel complimentjes over. Dat maakte de butler blij. Na jaren

    waren de butler en de koning eigenlijk heel goede, trouwe vrienden geworden. Maar op een

    dag gebeurde er iets dat alles veranderde….De butler had op een dag een heel andere soort

    vis uit de vijver gehaald: het was een mooie dikke goudkleurige vis, met prachtige,

    glanzende ogen en sierlijke vinnen. Hij toonde die prachtige vis meteen aan zijn vriend, de

    koning en vertelde er meteen bij hoe hij de vis zou grillen in de oven.

    “Ooooh, waw ! Wat een mooie vis is dat! Kom hier jij schoonheid!”

  • De koning was op slag verliefd. “Neenee Oscar, die gaan we niet opeten! Deze schoonheid

    wil ik bij mij. Voor altijd. Ik noem haar Milla. Zoals mijn vrouw. En weet je wat, vanaf

    vandaag worden er hier nooit meer vissen gegeten! Ga jij maar iets anders vangen, …

    konijnen….. of kikkers of zo”.

    Oscar smeet alle andere gevangen vissen terug in de vijver. Hij was ontgoocheld en vanaf

    die dag was hun vriendschap