Cursus Nederlands

Click here to load reader

  • date post

    08-Aug-2015
  • Category

    Documents

  • view

    164
  • download

    9

Embed Size (px)

Transcript of Cursus Nederlands

  1. 1. 1.1Handelingen in de klas Verbind de tekeningen met de handelingen. 1.Binnenkomen 2.Gaan zitten 3.Recht staan 4.Het bord afvegen 5.Zwijgen/stil zijn 6.Je vinger opsteken A B C 7.Luisteren 8.Je agenda uit je boekentas nemen 9.Het licht aansteken/uitdoen 10.Boeken uitdelen D E F H G I J 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 THEMA 1: KENNISMAKEN
  2. 2. 1.2 Zich voorstellen Beantwoord de volgende vragen. Antwoord in een zin! Stel daarna de vragen aan je buurman/buurvrouw Vragen Wat is je voornaam/achternaam? Hoe heet je? Waar woon je? Wat is je adres? Wat is je nationaliteit? Hoe oud ben je? Wanneer ben je geboren? Wanneer ben je jarig? Heb je broers en/of zussen? Hoe heten ze? Hoe heet je broer/zus? Hoe oud zijn ze? Hoe oud is je broer/zus? Waar ga je naar school? Hoe ga je naar school? Hoeveel talen spreek je? Welke /taal/talen spreek je (thuis)? Welke taal/talen leer je op school? Hoe heet je leraar/lerares Nederlands? Antwoorden Mijn voornaam is...
  3. 3. 1.3 Je familie voorstellen Het gezin is de mama, de papa, de broer, de zus en jij. Moeder is mama. Vader is papa. Mama en papa zijn de ouders. Jij, broer en zus zijn de kinderen. Een meisje is een dochter en een jongen is een zoon. De vader heet Marcel. De moeder heet Kristien. De dochter heet Griet. De zoon heet Toon. De familie De familie is het gezin, de grootvader, de grootmoeder, de tante, de oom, de neef en de nicht. Opa is de grootvader. Oma is de grootmoeder. Grootvader en grootmoeder zijn de grootouders. De tante is de zus van mama of papa. De nonkel is de oom. De oom is de broer van mama of papa. De neef is de zoon van de oom of de tante. De neef is een jongen. De nicht is de dochter van de oom of de tante. De nicht is een meisje. De grootvader heet Jef. De grootmoeder heet Marie. De kleindochter heet Griet. De kleinzoon heet Toon.
  4. 4. Verbind de woorden. de ouders de zus van je moeder of vader de familie ouders en kinderen de tante een meisje de grootmoeder het kind van je kinderen de nicht de broer van je vader of moeder het gezin de jongen de oom moeder en vader de dochter de dochter van je oom of tante de neef de moeder van je ouders het kleinkind de zoon van je oom of tante de zoon het kleine kind de baby broer, moeder, tante, neef, grootmoeder,.... Kruiswoordraadsel a. Mama, papa, broer, zus en jij. b. Papa. c. Grootmoeder. d. Oom. e. Oma. f. Papa. g. Tekening van de familie. h. Jij, broer en zus. i. De zoon van de tante. j. De zoon van de ouders. Een jongen. a. b. c. d. e. f. g. h. i. j.
  5. 5. 2.1 Dagelijkse activiteiten Verbind de activiteit met de juiste afbeelding. 1.Eten klaarmaken 2.de kamer opruimen C 3.de tafel dekken 4.het gras maaien B 5.stofzuigen A 6.de vaatwasmachine leegmaken 7.de vuilniszakken buitenzetten 8.strijken 9.de auto wassen D E 10.het bed opmaken 11.de bloemen water geven 12.op de kleine broer/zus passen H G F I J K 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 THEMA 2: HET HUISHOUDEN
  6. 6. 2.2 Luisteroefening: Dagelijkse activiteiten 1. Noteer de niet begrepen woordenschat en zoek de verklaring. 2. Ken je nog andere activiteiten die een dagelijkse gewoonte zijn of kunnen zijn? Noteer en leg ze uit. 2.3 Schrijfoefening: Dagelijkse activiteiten Schrijf een tekst van 10 lijnen over jouw dagelijkse activiteiten. Je buurman of buurvrouw zal jouw daar ook vragen over stellen!
  7. 7. 3.1 Het uiterlijk Schrijf de volgende woorden onder de juiste afbeelding. Een baard rimpels sproeten een vlecht kort haar een baard halflang haar steil haar mager een snor lang haar een stoppelbaard krulhaar dik een paardenstaart - kaal Hij/zij heeft Hij/zij is THEMA 3: HET LICHAAM
  8. 8. Een ander woord voor dik is.... Een ander woord voor mager is.... 3.3 De lichaamsdelen Benoem de lichaamsdelen 1= 8= 2= 9= 3= 10= 4= 11= 5= 12= 6= 13= 7= Benoem de delen van het gezicht. 1= 5= 2= 6= 3= 7=
  9. 9. 4= kun jij de verschillende vingers benoemen? 1= 2= 3= 4= 5= 3.2 Kledingstukken Kun je deze kledingstukken benoemen? 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
  10. 10. Wat draag je wanneer? de muts de bikini de oorwarmers de sjaal de sandalen de laarzen de short de minirok het badpak het topje de handschoenen de dikke trui de nylonkous de zwembroek de pet - de pantoffels de linnen broek de wollen sokken zomer winter
  11. 11. Gezocht! De politie heeft twee identificatieformulieren gemaakt om de dief op te sporen. Maar de agent heeft de formulieren niet goed ingevuld. Vergelijk de gegevens met de fotos en zoek in elk formulier 5 fouten. De 5 fouten: 1. 4. 2. 5. 3.
  12. 12. De 5 fouten: 1. 4. 2. 5. 3.
  13. 13. 3.3 Luisteroefening: Getuigen Luister naar de getuigenverklaring en zet een cirkel rond de letter van het juiste antwoord. Getuige 1 De getuige is er niet zeker van dat A. de dader kaal was. B. de dader een bril droeg. C. de dader een baard had. Wie zou het kunnen zijn? A B C Getuige 2 Wie zou het kunnen zijn? De getuige is er zeker van dat de dader een paardenstaart had. De dader een bril droeg. De dader krulhaar had. A B C 3.4 Schrijfoefening Je stuurt drie fotos van je familie naar een vriend. Beschrijf de personages op de fotos. ( naam -leeftijd het uiterlijk kledij...) Lengte: ongeveer 10 lijnen Vb. Op foto 1 staat mijn nonkel. Hij heet Tom. Hij is 40 jaar oud. Hij is mager. Hij heeft een snor en is kaal. Hij draagt een lange broek en een T-shirt.
  14. 14. 4.1 Ons huis-Ons appartement Hieronder zie je de afbeelding van een huis. Schrijf het getal op de juiste plaats. 1. De slaapkamer 2. De badkamer 3. De zolder 4. De kelder 5. De woonkamer 6. Het dakterras 7. De kinderkamer 8. De keuken THEMA 4: WONEN
  15. 15. 4.2 Spreekoefening: Waar staat uw huis? Waar ligt uw appartement? Hoe ziet het eruit? Stel de buurt en het huis of appartement waarin je woont voor aan de klas. Geef hierbij een antwoord op de volgende vragen. 1. Hoe heet de straat, het dorp, de gemeente, de stad waar u woont. 2. Hoeveel inwoners zijn er ongeveer? 3. Komen er bussen voorbij in uw straat? Waar rijden ze naartoe (naar het station, naar de stad) 4. Neemt u soms de fiets of gaat u met de fiets of de auto naar school? 5. Woont u daar al lang? Is dit de eerste woning waar u woont? 6. Praat u soms met de buren? 7. Zijn de buren allemaal vriendelijk of maar sommigen? 8. Hebt u soms last van de buren? Maken ze misschien veel lawaai? 9. Hebt u goede vrienden of vriendinnen in de buurt? In dezelfde straat? 10. Hebt u familie in de buurt? 11. Woont u in een veilige buurt? Durft u s avonds op straat wandelen? 12. Als u in een dorp woont: zou u in een stad willen wonen? Waarom of waarom niet? 13. Als u in een stad woont: zou u in een dorp of in een kleinere gemeente willen wonen? Over uw huis of appartement 1. Hoe oud is uw huis of het appartement waarin u woont? 2. Bent u tevreden over uw huis of uw appartement? Wat is goed? Wat is minder/niet goed? 3. Hoe groot (hoeveel vierkante meter) is het huis of het appartement ongeveer? 4. Hebt u een aparte slaapkamer? Studeert u er ook? 5. Beschrijf je droomhuis.
  16. 16. 5.1 Dialoog: Bent u hier bekend? Lees de dialoog met twee. Voetganger: Pardon mevrouw, ik moet naar de Grote Markt. Kunt u me soms helpen? Mevrouw: Het spijt me, maar ik ben hier ook niet bekend. Voetganger: Het maakt niet uit. Ik vraag het wel aan iemand anders. Dank u in ieder geval. Mevrouw: Zonder dank Voetganger: Pardon mevrouw, ik moet naar de Krakenstraat. Tja, de Krakenstraat. Dat is hier in de buurt hoor! Maar waar precies?... Even kijken: o ja, nu herinner ik het me. Ziet u dat gebouw daar links? Voetganger: Dat gotisch gebouw daar met die torentjes, ja? Mevrouw: Ja, dat is het stadhuis. U gaat het stadhuis voorbij. De straat achter en langs het stadhuis slaat u in. Dat is de Naamsestraat, en dan krijgt u... een eerste, tweede, derde straat aan uw rechterkant. De derde straat is de Krakenstraat, dat is de straat die u moet hebben. Voetganger: De derde straat rechts dus. Hoe ver is het hiervandaan? Mevrouw: Niet ver, een kwartiertje lopen, och, u bent er zo. Voetganger: Dank u vriendelijk. Mevrouw: Geen dank. Hoe zegt men het volgende in de dialoog? Je wil zeggen dat je de buurt niet kent: Je wil zeggen dat het niet erg is: Je wil vragen of het ver is: THEMA 5: De weg uitleggen
  17. 17. 5.2 Dialoog: Ik moet naar de beurs Lees de dialoog met twee. Chauffeur: Pardon Mevrouw. Hoe kom ik het beste naar de Beurs? Mevrouw: De Beurs? Wel, aan het kruispunt steekt u over, volg dan de tramlijn, tot aan het tweede kruispunt. En ziet u daar de verkeerslichten in de verte? Chauffeur: Ja Mevrouw: Wel, daar rijdt de tram rechtdoor, maar dat is een eenrichtingsstraat. En vanaf daar ziet u bordjes met centrum erop. Die volgt u. Maar goed uitkijken: rechts heeft voorrang. Chauffeur: Hoe ver is het wel? Mevrouw: Niet zo ver. Een paar minuutjes rijden, zonder opstoppingen natuurlijk. Maar het spitsuur is al voorbij. Het zal dus wel meevallen. Chauffeur: Even samenvatten: ik volg de tramlijn. Ik rij tot aan het tweede kruispunt. Daar moet ik naar rechts. En daan staan dan wegwijzers met Centrum op. Mevrouw: Precies. Chauffeur: Bedankt hoor! Mevrouw: Geen dank. Hoe zegt men het volgende in de dialoog? Je wil de weg vragen naar de Beurs: Je wil kort de wegbeschrijving nog eens herhalen:
  18. 18. 5.3 Communicatieve zinnen en uitdrukkingen Ik moet naar de Grote Markt. Waar is het station? Het spijt me. Ik ben hier niet bekend. Ik ben niet van Mechelen. Het maakt niet uit. Het doet er niet toe. Dank u in ieder geval. O, ja, ik herinner het me. Ik ben het niet vergeten. Het is aan uw rechterkant. Op het kruispunt. Eerst links, daarna rechts. Bij de verkeerslichten. Waar komt u vandaan? Waar gaat u naartoe? Waar gaat u heen? Is het ver? Hoe ver is het wel? Het is 5 minuutjes lopen. U bent er zo. Het is heel dichtbij. Het is in de buurt. Geen dank. Zonder dank. Graag gedaan.
  19. 19. 5.4 Woordenschat: de weg uitleggen Leg de volgende woorden uit.